Het is een merkwaardige vraag. Vele mensen geloven in God, spreken tot Hem, zingen over Hem, vertrouwen op Hem en ontlenen aan dat geloof de diepste betekenis van hun bestaan. Tegelijkertijd leven wij in een wereld waarin God voor miljoenen anderen volkomen afwezig lijkt. Zij kijken naar dezelfde sterrenhemel, wandelen door dezelfde bossen, luisteren naar dezelfde muziek en worden geconfronteerd met dezelfde vragen over leven, lijden en sterven. Maar waar de een de aanwezigheid van God vermoedt, ziet de ander uitsluitend natuur, toeval en menselijke verbeelding.
De mens als vragend wezen
De mens is een merkwaardig schepsel. Hij leeft midden in de werkelijkheid, maar neemt daar zelden genoegen mee. Hij wil weten waarom die werkelijkheid bestaat. Waarom is er iets en niet niets? Waarom bestaat er bewustzijn? Waarom ervaren wij schoonheid? Waarom kunnen wij liefhebben? Waarom raakt muziek ons soms zo diep dat woorden tekortschieten?
De Duitse filosoof Martin Heidegger stelde de beroemde vraag waarom er überhaupt iets is en niet veeleer niets. Het is een vraag die ons onmiddellijk confronteert met het raadsel van het bestaan.
Wij zijn gewend geraakt aan verklaringen. De natuurwetenschappen hebben ons buitengewoon veel geleerd over het ontstaan van sterren, de ontwikkeling van organismen en de werking van onze hersenen. Wat vroeger onverklaarbaar leek, kunnen wij tegenwoordig vaak tot in indrukwekkende details beschrijven. Maar een verklaring is nog niet hetzelfde als betekenis.
De wetenschap onderzoekt hoe verschijnselen ontstaan en functioneren. De filosofie vraagt daarnaast wat deze verschijnselen betekenen en wat wij er uiteindelijk over kunnen weten. De theologie stelt vervolgens de vraag of de werkelijkheid haar diepste oorsprong en bestemming vindt in God.
Wat betekent het om iets werkelijk te kennen?
De geschiedenis van de filosofie laat zien dat de menselijke kennis allerminst vanzelfsprekend is. Plato maakte onderscheid tussen de veranderlijke wereld van onze zintuigen en de blijvende werkelijkheid van de ideeën. Hij vermoedde dat de waarheid niet volledig samenvalt met wat wij dagelijks zien en aanraken.
Aristoteles zocht juist nadrukkelijk aansluiting bij de waarneembare werkelijkheid. Hij beschouwde de mens als een wezen dat door ervaring, denken en redeneren kennis verwerft. Veel later stelde René Descartes de zekerheid van onze kennis radicaal ter discussie. Wat kan ik eigenlijk met zekerheid weten? Immanuel Kant bracht vervolgens een beslissende verandering aan in het denken over menselijke kennis. Volgens hem kennen wij de werkelijkheid niet eenvoudig zoals zij onafhankelijk van ons verschijnt, maar zoals wij haar binnen de structuren van onze menselijke ervaring kunnen kennen.
Dat heeft verstrekkende gevolgen voor het spreken over God. Want als onze kennis altijd verbonden is met de mogelijkheden en beperkingen van ons menselijke verstand, hoe kunnen wij dan spreken over een werkelijkheid die deze grenzen overstijgt? Is God een object dat wij kunnen onderzoeken, zoals een natuurkundige een atoom onderzoekt? Kunnen wij Hem waarnemen zoals wij een boom, een landschap of een ander mens waarnemen?
God is een Wezen
De klassieke christelijke theologie heeft die gedachte doorgaans afgewezen. God is geen onderdeel van het universum. Hij is volgens het christelijk geloof niet zomaar een wezen naast andere wezens, maar de Schepper en oorsprong van het bestaan. Daarom kan God ook niet eenvoudig met dezelfde instrumenten worden onderzocht als de zichtbare natuur.
Het christendom verkondigt niet alleen dat God de wereld heeft geschapen, dat Hij boven de werkelijkheid staat en dat Hij de geschiedenis leidt. Het verkondigt ook dat God door zijn Geest aanwezig wil zijn in het leven van mensen. De oneindige God wil Zich verbinden aan eindige mensen. God wil met ons een liefdesrelatie aangaan. De christelijke overtuiging dat de Heilige Geest in mensen woont, is uiteindelijk een geloofsuitspraak.
Meer informatie is te lezen op deze website
Ook op VOLZIN publiceren? Meer informatie

