De veertigdagentijd begint met Aswoensdag, een ritueel dat onze vergankelijkheid markeert. Alles wat wij zijn en tot het onze rekenen zal ooit uiteenvallen. Niets blijft wat het lijkt. Kunnen we leven met deze waarheid waarbij al ons ‘doen' en ‘maken’ uiteindelijk geen uitkomst bieden? Kunnen we in deze vastentijd ook oefenen in onthouding van onze wil tot oplossen. Zou een dergelijke onthouding gevoelig kunnen maken voor iets anders dan ‘de macht van de wereld’?