Er klonk geen ‘In Paradisum’ aan het einde van de crematieplechtigheid. Wel een vrolijk Ecuadoriaans liedje waar de gestorvene altijd graag naar luisterde, zo vertelde haar tante na afloop. Haar dood was veel te vroeg gekomen; ze stond nog midden in het leven. Ik kende haar omdat haar tante sinds jaar en dag ons huis schoonmaakt.

Geen ‘In Paradisum’ dus, maar de hoop op het hiernamaals was er niet minder om. De priester had erover gesproken, een familielid had het nog eens gloedvol bevestigd. De nabestaanden, bijna allemaal Zuid-Amerikaans, waren haar hardop bijgevallen.

Deelde ik hun hoop op een later weerzien? In het dagelijks leven zou ik het beslist hebben ontkend. In mijn atheïstisch wereldbeeld is geen plaats voor een hiernamaals, voor een bovenwereld of goddelijke aanwezigheid. Ons bestaan is aards en daar moeten we het mee doen.

Maar het ritueel besliste anders – althans voor even – op die dinsdagmiddag in een Brussels crematorium. Zoals zo vaak bleek het een eigen kracht te hebben waaraan ik mij moeilijk kon onttrekken. Ook voor wie niet letterlijk neemt wat er allemaal gezegd wordt, doen de woorden ertoe – juist omdát ze gezegd worden. Omdat er iets gearticuleerd moet worden dat boven onze macht uitgaat – want wat zeg je wanneer een jonge vrouw in de bloei van haar leven wordt geknakt?

‘Mogen de engelen u begeleiden naar het Paradijs.’ Je hoeft er niet in te geloven om die eeuwenoude formule de plaats te laten innemen van de stilte waartoe het eigen onvermogen zich veroordeeld ziet. Wanneer onze woorden tekortschieten, neemt het ritueel ze voor ons waar. Het spreekt formules uit waarmee wij misschien niet letterlijk akkoord gaan, maar waarin ons ongeloof wel voor even wordt opgeschort.

De Engelse dichter Coleridge zag daar ooit het wonder van de literatuur in: a willing suspension of disbelief. Willing is niet eens nodig tijdens een uitvaart. Het ritueel gaat vanzelf zijn gang, als een subliem theater dat zijn eigen werkelijkheid schept. Heel even denk je bijna dat het waar is, dat we elkaar ooit zullen terugzien, in vreugde en in heerlijkheid. Meteen daarna is dat weer voorbij – maar de impasse waarin ieder met stomheid en verdriet geslagen is, wordt er wel draaglijk door. Het leven kan opnieuw een aanvang nemen.

Van alle rites die het verleden ooit gekend heeft, kerkelijk of niet, is die van het afscheid nemen van de doden het meest duurzaam gebleken. De doop wordt nog maar mondjesmaat voltrokken, het huwelijk zelden nog ingezegend, maar de dood vraagt hardnekkig om een ritueel. Omdat vreugde zichzelf wel redt, denk ik soms, maar iemands overlijden ons voor het blok zet. Hoe kunnen we verdergaan na zo’n onherroepelijk einde, dat ons ook aan ons eigen einde herinnert?

Zonder illusies redden we het daarbij niet. De illusie dat het leven zinvol is, ook al zijn wij ten dode opgeschreven. De illusie dat de dood niet het laatste, of althans niet het enige woord is. En voor sommigen ook de illusie dat de paradijsverwachting die beide eerste overkoepelt. Of dat allemaal waaris, doet er niet zoveel toe. Op de kruismomenten van het leven is het woord geen proces-verbaal of inventaris, maar een daad die ons de crisis doet doorstaan.

Om controleerbare feiten gaat het in het ritueel al evenmin als in de literatuur, die andere grote betekenisgever. Wat het woord aanduidtis niet wat het doet. Het draagt een waarheid die niet aantoonbaar hoeft te wezen om echt te zijn.

Zoals bij alle uitvaarten mocht die dinsdagmiddag het verdriet zich na het ritueel ontspannen. Het leven hernam zijn loop. Zoals in elke rite de passage hadden de woorden de overgang zorgvuldig begeleid. Als engelen die de dode ondersteunden naar het Paradijs, dat ik even voor haar verhoopte.

Ger Groot is filosoof en essayist. Hij schreef onder meer Het krediet van het credo, De gelukkigste illusies en De geest uit de fles, en werkt aan een nieuw boek dat zal verschijnen bij Uitgeverij VOLZIN.

Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/07). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.

Geef een reactie