‘Waar komt deze tederheid vandaan?’ vraagt de Russische dichteres Marina Tsvetajeva in haar gelijknamige gedicht. Ze schreef het tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de daaropvolgende Sovjettijd leidde ze een moeizaam bestaan. Naar verluidt schrok een inbreker in haar huis zo van haar armoede, dat hij geld achterliet. Ze probeerde haar dochtertje Irina van de hongersnood te redden door haar in een weeshuis van de staat te plaatsen, waar het meisje echter overleed. Haar man werd, verdacht van spionage, geëxecuteerd. Uiteindelijk slaat ze de hand aan zichzelf, bezwijkend onder de hardheid van het bestaan.