In de nacht na het verzoek om een column te schrijven, droomde ik over deze column. Alsof die allang af was. Ik was ergens, ik weet niet waar, en er waren veel mensen. Iemand reikte me deze editie van Volzin magazine aan, al was het tijdschrift niet aan de lay-out te herkennen. Ik bladerde er wat in. Zocht naar mijn column en vond die.

Ook weer niet in de vertrouwde opmaak, maar zo gaat dat in dromen. Boven mijn tekst was een foto afgedrukt, zwart-wit, waarop ik een destijds dierbare vriend omhelsde: ik herkende hem aan zijn rug, zijn jasje. Zelf keek ik de lens in, lachend maar niet geposeerd – me duidelijk van geen fotograaf bewust. De foto moest zijn gemaakt op een symposium, jaren geleden, waar hij en ik elkaar onverwachts tegen het lijf waren gelopen. Vreemd dat deze foto zonder toestemming was gebruikt, maar erg? De schok kwam pas toen ik de openingszin las. Die luidde: “Op mijn achttiende, toen ik toch al door een moeilijke tijd ging, pleegde mijn vader zelfmoord.”