Van oudsher schiepen mensen zich goden die het leven van uiteindelijke zin voorzagen. Essentieel daarbij was de beleving dat die goden juist niet door de mens geschapen waren. In die veelal onopgemerkte religieparadox speelde geloof een hoofdrol – maar niet altijd, zo blijkt uit een zoektocht door de godsdienstgeschiedenis. Zoals in de Europese middeleeuwen. Ook toen werd soms zonder geloof religie gecreëerd, in de hoop op religieuze beleving.

Toen duizend jaar geleden de abt van het klooster in het Franse Vézelay van een collega elders hoorde dat Maria Magdalena verrassend populair was bij hem in de streek, die net als de zijne nog half heidens was, sprong hij een gat in de lucht. In de crypte van zijn klooster lagen namelijk sinds mensenheugenis botjes die aan haar werden toegeschreven: een gouden kans om zijn kerk in de schijnwerpers te zetten en Vézelay tot het centrum van de wereld te maken.

Hij riep zijn monniken bijeen en vroeg hun te bedenken hoe de botjes daar konden zijn gekomen. De ene monnik kwam met een nog mooier verhaal dan de andere, zo toont een reconstructie.[*] Natuurwetten konden worden doorbroken, engelenkoren konden neerdalen. Maar dat de oude monnik Badilo uit Vézelay Maria Magdalena in de negende eeuw in het verre Jeruzalem zou hebben opgegraven en haar in een jutezak zou hebben meegenomen, klonk te ongeloofwaardig, vonden de meeste monniken. Pelgrims slikten niet álles voor zoete koek.

Winnaar werd het verhaal dat Maria Magdalena na Jezus’ dood was gevlucht op een bootje zonder zeilen (bestuurd door God) en naar Zuid-Frankrijk was gedreven. Daar had ze dertig jaar lang naakt gevast in een grot in Sainte-Baume, waarna ze in het nabijgelegen Saint-Maximin werd begraven en op een nacht werd opgegraven door de monnik Badilo, die haar wilde behoeden voor de oprukkende Saracenen. Badilo was doodsbang voor die islamitische strijders. Gelukkig verscheen er uit het niets een laaghangende wolk, die de grafschennis aan het zicht onttrok.

Toen hij het graf opende, wist hij gelijk dat hij Maria Magdalena te pakken had: er kwam een hemelse geur uit de kist. In de mist verscheen de gestalte van een beeldschone vrouw, die zei: ‘Badilo, wij gaan samen naar de plek die God ons wijzen zal.’ Op de terugweg naar Vézelay bogen de bomen eerbiedig hun kronen. Toen ze langs een begraafplaats kwamen, gingen alle graven open en stonden de doden op om Maria Magdalena na te kijken. Aan de voet van de berg van Vézelay werden de resten loodzwaar en konden ze alleen nog worden getild door alle monniken samen, die de berg afkwamen om ze in processie, zingend en met wierook en kaarsen, naar boven te dragen.

Een middeleeuws reli-Disney

Het verhaal ging als een lopend vuurtje de christelijke wereld over, aangevuld met vele wonderverhalen over Maria Magdalena’s optreden in Vézelay. Maria Magdalena genas zieken, maakte vrouwen zwanger, wekte doden op en bevrijdde gevangenen.

De monniken van Vézelay hadden een groot aandeel in het verzinnen en verspreiden van zulke verhalen. Zo zouden er zoveel ketenen van dankbare ex-gevangenen achtergebleven zijn, dat de abt er een hekwerk voor het altaar van kon laten smeden.

Vézelay werd een heilige plek, waar het wonderen leek te regenen. Maria Magdalena kon ook jou horen en helpen. Je liep naar haar toe en dat zag zij als jouw offer. Je riep haar aan om haar te bedanken of om een wonder te vragen. Pelgrims kregen zo het gevoel in een zinvol universum te leven.

De kracht van de inmiddels ook door de paus heilig verklaarde relikwieën trok miljoenen mensen. Vézelay werd het belangrijkste pelgrimsoord van West-Europa. Vooral vanuit het Noorden en het Oosten stroomden de pelgrims toe. Na een wekenlange voettocht bereikten ze Vézelay en ze sliepen met duizenden in de grote kelders die Vézelay rijk was. Er hing een festivalstemming. Eten en drank waren er in overvloed, net als prostituees. Boven op de berg kwam je bij de inmiddels tot gotische kathedraal verbouwde romaanse kerk, waar je, na in het imposante voorportaal te zijn gedoopt, het heilige der heilige in mocht. Het was een middeleeuws reli-Disney.

Met de hoeveelheid wonderverhalen zat het wel goed, maar het aantal wonderen ter plaatse viel tegen. De verwachtingen waren hooggespannen, maar wonderen zijn per definitie uitzonderlijk. Duizenden pelgrims die de kerk binnengingen, konden niet allemaal met een wonder naar buiten komen.

De twijfel en onvrede groeiden. De relikwieën lagen in de aan Maria Magdalena gewijde crypte onder het koor en daar kon je niet in, omdat er alleen godgewijde, kuis levende monniken bij mochten.

Door kleine kijkgaten in het koor kon men een blik in de crypte werpen. Lag daar misschien niet haar hele lijf, maar slechts een enkel botje? Was dan de kracht niet evenredig klein? Was dat waarom het aantal wonderen achterbleef? Het gemopper bereikte de paus, die net ruzie had met de Franse koning, de beschermheer van Vézelay, en een onderzoek gelastte.

Prompt was er het verhaal dat de abt de relikwieën naar een toegankelijker plek had willen verplaatsen, maar dat er toen een dreigende wolk over de kerk heen was gevallen. Maria Magdalena wilde kennelijk in de crypte blijven.

De monniken raakten verstrikt in hun zelfgeweven web van verzinsels. Ook het Zuid-Franse Saint-Maximin was door het verhaal uit Vézelay beroemd geworden. In 1295 wisten de dominicanen daar de paus zover te krijgen dat hij hun plek erkende als het enig ware Maria Magdalena-bedevaartsoord. Zij hadden inmiddels wél een heel aan Maria Magdalena toegeschreven lijk. Badilo had zich in de kist vergist en de verkeerde resten meegenomen, zeiden ze. De pelgrimsstroom boog af en Vézelay raakte in vergetelheid.

‘Verzingeving’

Uit deze geschiedenis blijkt dat de monniken van Vézelay de kunst van het scheppen van religie kenden in woord en daad. Eeuwenlang was dat een proces van zoeken naar overtuigender versies geweest. Ze construeerden, veranderden, breidden uit, schrapten en verspreidden, om kritiek en concurrentie te kunnen weerstaan. Wat uit de hemel kwam, kwam ook uit hun grote duim.

Ze wisten dat Maria Magdalena niet van Jeruzalem naar Frankrijk was gevaren en dat die Badilo uit Vézelay, die haar in Zuid-Frankrijk zou hebben opgegraven, fictief was. En ze wisten vast ook dat de botjes die ze hadden helemaal niet van haar konden zijn. Maar wat gaf dat – en wat moesten ze anders?

Het leven was zwaar. Wie alle leed waartegenover men machteloos stond tot zich liet doordringen, móest wel alles op alles zetten om het draaglijk te maken. En dat was wat de monniken deden. Zonder hun scheppingswerk was er in Vézelay niets hoopvols ontstaan.

Koert van der Velde

Wie zegt dat de monniken met hun verzinsels kwamen om goedgelovig volk voor eigen gewin te bedotten, doet hun scheppingswerk tekort. Ze opereerden in een christelijk universum waarin wonderen verrichtende heiligen bestonden. En de gelovige massa slurpte de verhalen op als miswijn. Het was een uitgelezen kans voor de monniken om het koninkrijk Gods te dienen. Ze verzonnen naar eer en geweten een mythe; ze deden aan ‘verzingeving’.

Zin en hulp hebben vanuit religieus perspectief traditioneel hun bron in de godenwereld. De godsdienstwetenschapper Mircea Eliade had het over de ‘openbaring van het heilige’. Hij zou ook de kerk in Vézelay, de relikwieën en de wonderen rond Maria Magdalena openbaringen hebben genoemd, ‘veroorzaakt door de openbaring van een aspect van de goddelijke macht’.

Daarbij openbaarde zich volgens Eliade een hogere ultieme werkelijkheid in die van de mens. Hij sloot daarmee aan bij de manier waarop er vanuit religie ook altijd naar gekeken wordt. Maar spijtig aan deze visie is dat ze het objectief bestaan van een goddelijk heilige veronderstelt en dat ze ons daardoor blind kan maken voor de andere, niet te negeren kant van de werkelijkheid: dat zo’n openbaring toch allereerst mensenwerk is en soms, zoals die van Maria Magdalena in Vézelay, zelfs een bewuste scheppingsdaad.

Zonder gelovige vooronderstelling moeten we ons beperken tot de vaststelling dat religieuze verbeelding kan overgaan in religieuze beleving. Iets wat door mensen is bedacht, gaat dan paradoxaal genoeg de sensatie geven níet bedacht te zijn. Het mensenwerk diende om het idee van goddelijke openbaring zo sterk mogelijk te beleven.

Een enkeling zag het paradoxale van de beleving dat het goddelijke van buiten komt en het gegeven dat mensen hun goden scheppen. De Griekse wijsgeer Xenophanes (zesde eeuw v.Chr.) schreef al dat als de koeien goden konden schilderen, die eruit zouden zien als koeien. De godsdienstwetenschap toont dat er ook mensen in het oude Midden-Oosten waren die religies maakten. En dat ze dat niet altijd deden op een gelovige, voor waar houdende manier.

Daar kunnen we lessen uit trekken die ons kunnen helpen weer religieus te worden. Want als men vroeger zoals in Vézelay al bewust zelf aan het scheppen ging, en als dat leidde tot de paradoxale religieuze beleving dat het beleefde niet zelf was geschapen, moeten wij dan nu, voordat we religie afwijzen als manier om uiteindelijke zinervaringen te wekken, niet onderzoeken of we dat niet nog steeds kunnen en willen? En dan consequenter, zelfbewuster en vrijer aan het ‘verzingeven’ gaan? Kan bewust gebruik van de ‘religieparadox’ religie in onze geseculariseerde cultuur toekomst geven?

‘Religieus existentialisme’

Wellicht komt onvermogen tot religiositeit ook voort uit het vooroordeel dat religie geloof als voor waar houden nodig heeft. Beseffen we dat we zelf scheppers zijn en dat we aan het scheppen kunnen slaan zonder te geloven, dan hoeven we de mogelijke vruchten van die schepping niet te laten hangen.

Het is ook niet vreemd om zonder geloof religieus te willen zijn als je bedenkt dat de religieuze reactie op onze existentiële conditie bijna universeel is en zo oud als de mensheid. Kennelijk biedt de inspirerende beleving van een aansprekende transcendente werkelijkheid een diepe zinsensatie.

Wie ‘agelovig’ is, gelooft niet in het bestaan van God en evenmin dat er juist geen god bestaat. Hij kent de grenzen van zijn begrip, weet dat het al dan niet bestaan van goden daarbuiten ligt en beoordeelt religieuze voorstellingen daarom niet op hun plausibiliteit, maar als een smaakkwestie: of hij ze mooi, goed en inspirerend vindt.

Zelfs als je aanneemt dat er niets is waardoor het leven er uiteindelijk toe doet, kun je net zo goed – of beter – veinzen dat het ertoe doet. Bovendien is het bestaan van een met ons communicerende godenwereld niet falsifieerbaar en dus niet geheel uit te sluiten. Ook dat geeft religiositeit zonder geloof bestaansrecht.

Ik denk dat we iets belangrijks verliezen als we er niet meer in slagen religieus te zijn. Daarom dit pleidooi voor religiositeit zonder geloof, voor het op agnostische basis volgen van een spiritueel pad, het waarderen van religieuze tradities als bronnen waaruit beleving te putten is. Wie de kunst van de religieuze verbeelding verstaat, heeft goud in handen. Ik noem dit ‘religieus existentialisme’.

Bewust agelovige religieus existentialisten erkennen dat ze de vrijheid en verantwoordelijkheid hebben hun leven zelf zin te geven. En omdat religie nog steeds bijna onmisbaar is voor een niet-oppervlakkig, levensbeschouwelijk relevant leven, moeten zij zichzelf aan het werk zetten. Volgens goed oudhollands gebruik: ‘Geen zin? Dan maak je maar zin.’

Koert van der Velde is religiewetenschapper en journalist. Hij promoveerde op ‘religie zonder geloof’ en is sinds een jaar een ‘agelovige voorganger’ in de PKN-kerk De Verbinding in West-Zeeuws-Vlaanderen.

Boekgegevens:
Koert van der Velde, Dan maak je maar zin – Pleidooi voor religie zonder geloof. Walburgpers, 268 blz., € 27,50

Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026 #06). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.

[*] Neal Raymond Clemens, The Establishment of the Cult of Mary Magdalen in Provence, 1279-1543. Columbia University, 1997.

Geef een reactie