Wie een publiek wil bereiken moet zich aanpassen aan zijn of haar gehoor. Tegelijk dient een origineel denker een eigen weg te gaan, soms tegen de stroom van de tijdgeest in. Dat beide eisen op gespannen voet staan ondervindt Erik Borgman regelmatig aan den lijve. Een oplossing ziet hij in de oude christelijke aansporing om in de wereld maar niet van de wereld te zijn.
Lees meer over



Dilemma: iets zeggen tegen de tijdgeest in, en toch rekening houden met je gehoor. Dat publiek deelt de tijdgeest, is de gedachte. Wat houdt die tijdgeest dan in? Het gaat dan niet alleen om moderne gedachten en idealen. Er zit veel oud materiaal niet of verkeerd begrepen in de alledaagse taal. Kort gezegd: Descartes’ dualisme werkt nog in de taal van mensen. De woorden “het lichaam” , “de geest” suggereren hen, dat het om twee dingen (entiteiten) gaat. En bij “geest” denkt men veelal aan “de ziel”. En dat kan duiden op het psychische. Maar hoe enigszins aangeven, dat men geest dient te onderscheiden van psyche?
Een situatie. Gespreksgroepje. Geen ongeschoolde mensen. Een oude heer, huisarts geweest, vraagt zich bezorgd af, hoe het na de dood gaat. Waar blijft de ziel? Ik probeer een gesprek. Er komt een patiënt op het spreekuur. U én hij letten op de lichaamstaal. Op een moment zegt u: ik zal even naar de longen luisteren. De man is eventjes een lichaam, zij het levend, dat dokter beklopt. Stel, de patiënt belandt in het ziekenhuis. Voor de openhartoperatie worden nogal wat lichaamsfuncties door apparaten overgenomen. Het lichaam is nog geen ding, maar allerminst de bezorgde patiënt die met zijn eerste klachten bij zijn huisarts kwam. De chirurgen konden hem niet redden, zijn lichaam niet herstellen. In de doodskist ligt ie er mooi bij. Nou ja, een euphemisme: hij?, het is een lijf, een lijk. Wat is er weg: een ziel uit het lijf? Maar in leven was er een persoon, een eenheid met lijfelijke en psychische aspecten. De situatie is nog verzwaard. Iemand oppert: “ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een hiernamaals. De oude heer zal deze “kwestie” ook bedoeld hebben met zijn “waar blijft de ziel?”.
Een studeerkamer heb ik, maar ben ik een geleerde? Wel heb ik wat gelezen na een redelijk inleiding in de wijsbegeerte c.a. Lichaam, lichamelijkheid. Ik waag me er niet aan te wijzen op Merleau-Ponty, om maar één auteur van de velen te noemen. Aan een uitgebreide uiteenzetting over mensbeelden durf ik niet te beginnen. Descartes past in een kentheoretische context, ver van mensbeelden en bestaansvragen. Hoever reikt mijn vermogen? Hoever gaat het vermogen van de oude heer om mijn omzichtige woorden te verstaan? Bovendien zitten hij en ik in een groepje. Kortom in zulke situaties moet men zich weer eens gedwongen voelen om maar te zwijgen. Ik zeg maar helemaal niet: ik ben gelovig, ook in religieuze zin. Maar leven na het leven kán niet. Tijd en ruimte kleven aan mijn leven, dat duurde van 1932 tot 20xx, zoals mijn oud geworden huid dat doet.
Jac van Dam, Nijmegen
Eric,
Bedankt voor wederom je stimulans om in de wereld en niet van de wereld te zijn. Bovendien je begrijpelijk schrijven vind ik 'chapeau' oftewel hoed af!