“De vrolijke Franciscus, de piekerende Franciscus, de verliefde Franciscus, de biddende Franciscus, de huilende Franciscus. Het verhaal van zijn leven heeft talloze mensen in beweging gezet.” Dit schrijft broeder Guy Dilweg in het voorwoord van Franciscus van Assisi. Een levend evangelie, een aanstekelijk boekje met kleurrijke illustraties. Het is duidelijk dat het verhaal van Franciscus ook hém in beweging heeft gezet. Broeder Guy is een emotioneel mens op wie de genoemde eigenschappen – vrolijk, piekerend, verliefd, biddend, huilend – stuk voor stuk van toepassing zijn.

Wanneer voelde je voor het eerst dat je een roeping had?

“Ik heb als jongetje van acht, negen jaar anderhalf jaar lang met tbc in een sanatorium gelegen in Bilthoven. Daar in dat sanatoriumbed droomde ik ervan, zoals veel katholieke jongetjes, om priester te worden. In mijn fantasie was ik geweldig aan het preken over alles en nog wat, over Jezus en de eucharistie.

In de buurt van ons huis was een franciscaanse parochie, de Josephkerk in Amsterdam-West. Daar woonden drie jonge franciscanen die een opleiding tot vliegenier volgden. Zij bereidden zich voor op een reis naar wat toen nog Papoea-Nieuw-Guinea heette, om daar de missieposten te bevoorraden. Die jongens kwamen bij ons thuis over de vloer. Het waren leuke, jonge avonturiers die mij hun monnikskap opdeden en zeiden: ‘Die kap staat jou ook goed.’

Ja, dat wilde ik ook: priester worden! Zo ben ik na de zesde klas lagere school bij de franciscanen op een internaat gekomen. Van huis uit lag er al een spirituele voedingsbodem: twee tantes en een oom in het klooster. Bij de trappisten heb ik de diepe ontroering in het religieuze leven ervaren. Ik krijg nog kippenvel als ik het vertel. ’s Morgens vroeg in de donkere kerk gaat er één kaars aan. Je hoort het geschuifel van de monniken die hun plaats zoeken. En dan begint de koorzang... De toewijding, de stilte, het vertrouwen... Ik krijg er tranen van in mijn ogen. Dat vind ik zó mooi.

Maar de verwerkelijking, de vormgeving van mijn roeping, die ligt toch meer in de praktijk. Ik ben een doener.”

Je noemt jezelf broeder, geen priester. Hoe zit dat?

“Ik ben bij de franciscanen gekomen om pater te worden, priesterbroeder. Maar eind jaren zestig, de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie, merkte ik dat het kerkelijke werk mij niet zo trok. Ik voelde me meer aangetrokken door de ressourcement-beweging: terug naar de bronnen van het christendom en de Orde van de Minderbroeders. En ik ontdekte dat de franciscanen eigenlijk geen priesterorde waren, maar een broederorde. Jaargenoten van me zeiden: we worden geen priester, we blijven broeder. En toen dacht ik: ja, dat wil ik ook!

Ik heb wel nog theologie en filosofie gestudeerd in onze kloosters in Venray en Wijchen. In heel Nederland nam echter het aantal studenten af en daarom begonnen de religieuze instituten de studies te concentreren. Zo ontstonden de Katholieke Theologische Hogescholen in Amsterdam en Utrecht. De franciscanen kozen voor Utrecht. We zijn toen met een stuk of twintig jonge kerels en enkele oudere broeders verhuisd naar een aantal eengezinswoningen in De Bilt, gewoon in een nieuwbouwwijk. En daar zijn we vier kleine communiteiten begonnen van een paar huizen bij elkaar. Een nieuwe manier van samenleven.”

Wat betekende de kerkvernieuwing voor jou?

“Het Tweede Vaticaans Concilie was de voltooiing van een ontwikkeling waarvan ik naderhand pas zou horen dat die bij de broeders allang gaande was. De generatie vóór ons was niet meer tevreden met het oude kloosterleven. Te veel naar binnen gericht, te weinig geëngageerd, te weinig verdiepend, te weinig geïnspireerd. Het Concilie heeft ervoor gezorgd dat er een verfrissing kwam van het lectorenbestand. Jongelui die de laatste ontwikkelingen hadden meegemaakt, begonnen nu les te geven. En dat klikte met ons, de jongere generatie. We zijn de samenleving in getrokken, vanuit de kloosters de wijde wereld in. Van mijn klasgenoten is eentje muziekstudent geworden in Pakistan en twee anderen respectievelijk cultureel antropoloog en econoom in Nieuw-Guinea.”

Jullie waren geëngageerde broeders.

“Zeker. En dat krijg je er ook niet meer uit. Ik heb onze overste weleens gevraagd: ‘Wat is dat toch met onze generatie, met die klasgenoten van mij?’ Hij zei: ‘Jullie zijn kinderen van de Parijse revolutie: de verbeelding aan de macht.’

Als je priester werd, dan was je loopbaan duidelijk: dan werd je kapelaan of pastoor, leraar of rector. Maar een gestudeerde broeder, daar wist men geen raad mee. Zo kreeg ik de ruimte om te worden wat ik nu geworden ben. Ik ben politicologie gaan studeren aan de Vrije Universiteit. Ik ontdekte in de stad heel wat jonge mensen die ook op zoek waren naar een eigentijdse invulling van hun religieuze leven. Zo heb ik me op een wat onorthodoxe manier ontwikkeld in een maatschappelijke en oecumenische richting.”

Toch koos je, in weerwil van de tijdgeest, voor een celibatair leven. Paste dat wel bij je temperament? In je boekje beschrijf je Franciscus en Clara als – ik citeer – ‘twee jonge mensen die elkaars diepste verlangen peilden’.

“Het is interessant dat jij die vraag stelt, want seksualiteit is natuurlijk een thema. Hoe is de relatie tussen die twee geweest? Dat vertelt de overlevering niet. Wat we wel weten, is dat Franciscus en Clara in vuur en vlam konden raken als ze samen verzonken waren in gebed. Het was een religieuze verbinding: de liefde voor de Liefde met een hoofdletter. De mensen in hun omgeving dachten dat het bos in brand stond wanneer die twee elkaar ontmoetten. Zozeer waren ze in elkaar verzonken, in het bestaan verzonken. Die twee zijn tot op de bodem van het bestaan geraakt, waar alles met elkaar samenhangt en alle energie zich verzamelt.

Ik stel me dat ook voor van het leven na het leven: dat het dan allemaal weer samenkomt in dat ene punt, een eeuwig nu. Daar komt een energie vrij als die twee, mannelijk en vrouwelijk, elkaar gaan raken in de natuur, in dat hele spel waarin de Allerhoogste zich heeft uitgedrukt met al zijn variëteit. Ja, dan gaat het hele bos in de fik.”

Is dat celibaat een strijd geweest voor jou, of was het een makkelijke keuze?

“Het is geleidelijk gegaan. Ik heb mijn puberteit pas beleefd toen ik aan de Vrije Universiteit ging studeren en met meisjes te maken kreeg. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik drie was en mijn vader – ik heb hem nauwelijks gekend – schijnt een womanizer te zijn geweest. Toen ik zelf in de bar van de studentenvereniging zat met acht jonge vrouwen om me heen, dacht ik: o ja, dit is wat hij ook heeft meegemaakt. Ik vond het interessant om de vrouw te ontdekken als vrouw, en daar heb ik ook een tijdlang mee geëxperimenteerd. Ik had vriendinnen, maar op een gegeven moment kwam ik tot de ontdekking: zo wilde ik niet verder leven.

Ik voelde me thuis in die franciscaanse broederschap. Het was voor mij zo’n vruchtbare bodem dat ik eigenlijk geen moment heb getwijfeld.”

Hoe kijk je aan tegen andere religies, zoals de islam? Je schrijft over het bezoek van Franciscus aan Egypte. Hij reisde mee met de kruisvaarders en sloot vriendschap met de sultan, maar hij deed niets om de agressie tegen de Moren te doen stoppen. Als we dat nu eens vertalen naar het heden? Hoe zou je je als christen moeten opstellen tegenover moslims?

“Met groot respect. Met een diepe buiging voor de schoonheid, de wijsheid van de islam. Ik heb het voorrecht gehad om een tijd door te brengen bij de broeders in Pakistan. Ik was daar op een reportagereis, als franciscaans journalist, en heb de schoonheid van de islam ervaren. Het beeldverbod is een van de sterkste dingen van de islam. We maken allemaal beelden – van God, van de wereld, van elkaar – waar we alleen maar hinder van hebben. Dat beeldverbod heeft geleid tot zoveel schoonheid en verfijning.

We staren ons blind op een aantal sektes, groeperingen, strijdgroepen die bepalend zijn geworden voor ons beeld van de islam. Daar komen we niet verder mee. Als christen ben ik geïnteresseerd in de dialoog. Wanneer paus Franciscus een moslimland bezocht, ging hij naar de moefti en zocht het gesprek. En dat doet ook de huidige paus. Laten we het theologische gesprek voeren mét elkaar, niet tegen elkaar. Laten we eerbied voor elkaar tonen en samen bidden. Want buigen, dat kunnen we allebei. Er is één bestaan en dat moeten we met elkaar zien te delen.

Dat is missioneren op z’n franciscaans: je begeeft je gewoon onder de moslims en toont je liefde en je respect. En als ze zeggen: ‘Goh, waarom ben jij zo aardig voor ons en waarom ben je ons zo van dienst?’, dan zeg je: ‘Ja, ik ben christen.’ Dus eerst contact maken, je verhouden tot, eerbied hebben voor, en dan pas je boodschap geven. Zo heeft Franciscus ons dat voorgeleefd.

Dat deden wij ook als jonge franciscanen: wij trokken weg uit de kloosters en gingen in de wijken wonen. Zo hebben we in de Indische Buurt gewoond, een toentertijd armoedige wijk in Amsterdam. Daar hadden we een simpel benedenhuisje. De deur kon niet dicht, die was krom. We moesten naar het badhuis om ons te douchen. Het was er een rotzooitje toen we daarin trokken. Onze achtertuin lag vol troep die de mensen van hogere verdiepingen naar beneden gooiden. We gingen gewoon opruimen, zonder commentaar. Op zeker moment kwamen de buren plantjes brengen. En de buurvrouw kwam soep brengen. Dat is eigenlijk de beste manier van missioneren: aanwezig zijn.”

Wat jij nu vertelt, is iets anders dan het clichébeeld van ‘zieltjes winnen’.

“Ja. De meeste missionarissen waren avonturiers die mensen wilden helpen. Ik heb er heel wat bezocht op mijn reportagereizen. Die waren aanwezig. Ze leefden met de Papoea’s en probeerden hun leven te verbeteren. Meer eiwit bijvoorbeeld, zodat ze gezonder werden. Dan kregen ze een kip. En als ze de kip goed verzorgden, dan konden ze een eend krijgen. En dan een geit, enzovoort.

Tegelijkertijd vertelden ze het verhaal van Jezus. Dan begonnen de Papoea’s, met peniskokers en al, dat verhaal na te spelen. Ik heb daar een goede tijd meegemaakt, schitterend!

Het was een mengvorm van katholicisme en culturele eerbied. Er is een levensgroot verschil met de manier waarop de Indonesische bezetter nu met de Papoea’s omgaat. Nu worden ze gewoon uitgebuit. Ze zitten in de weg. Er wordt koper gevonden en dan moeten ze plaatsmaken. Ze worden een minderheid in eigen land.

Die houding was de meeste missionarissen vreemd. Zij kwamen iets brengen. Zij kwamen luisteren.”

Grote vraag: denk je dat alle religies op één en dezelfde bron teruggaan?

“Daar heb ik toch geen idee van, joh! Dat zal ik wel ontdekken als ik dood ben. Kijk, mijn buurman hier is Koerd. We zijn goeie buren, fijne buren. Af en toe steekt er een hand boven de heg uit en dan krijgen we weer van die heerlijke dolmades. En wij delen met hen onze appeltaart. We hebben gewone, menselijke, oprechte belangstelling voor elkaar en helpen elkaar. Maar we praten niet over Allah of God. Daarvan hebben we geen beeld.

Laatst zat ik in een training en er was een mevrouw die zei dat ze zo’n last had van haar godsbeeld. Ik zat te luisteren en dacht: dan neem je toch een ánder godsbeeld! Als het je ervan weerhoudt te leven, liefde te geven en te ontvangen, stop er dan mee!”

Broeder Guy Dilweg (1944) is franciscaan en studeerde theologie en politicologie.

Boekgegevens:
Br. Guy Dilweg, Franciscus van Assisi - Een levend evangelie. Uitgeverij VOLZIN, 88 blz., € 15,00. Bestel het boek via deze link of door op onderstaande illustratie te klikken.

Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/06). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.

Geef een reactie