Het interview met Hans Achterhuis vindt plaats op een hete zomerdag. Gelukkig wordt het zonlicht getemperd door de hoge bomen voor de ramen van het appartement waar hij woont met zijn vrouw Tiny, in een voormalig ziekenhuis aan de Utrechtse Catharijnesingel. We praten over zijn leven en werk, en over de idealen die hem al decennia drijven.

“Wij hebben misschien wel de meest open en vrije periode van de twintigste eeuw gekend, Tiny en ik”, zegt hij terwijl zijn ogen oplichten. “Toen wij in Straatsburg woonden, waar ik in de jaren zestig promoveerde op de filosofie van Camus, hadden we weinig geld. We hadden een beurs voor één persoon. Daarom moesten we af en toe wat klusjes aanpakken, zoals druiven plukken. Maar de vrijheid was fantastisch. We gingen liften en zetten ons tentje op in de Vogezen. We hadden niet veel nodig.”

Zoals zovelen van hun generatie streden Hans en Tiny voor een betere, groenere, rechtvaardigere wereld. Daar heeft hij goede herinneringen aan. “Nog steeds kunnen wij af en toe, met een goed glas wijn erbij, doorzakken met de oude strijdliederen van vroeger. En dan kunnen we ook weleens tranen in de ogen krijgen:

We shall overcome, some day.
We are not afraid, today.

Wij geloofden echt in de missie van Martin Luther King. Het strijdlied van de burgerrechtenbeweging, waarvan de oorsprong ligt in de slavernijtijd, zit nog steeds in mijn hart. In 1973 ging ik als Nederlandse vertegenwoordiger naar een grote conferentie van Amnesty International in Parijs, als aftrap van de wereldwijde campagne tegen het martelen, en Tiny ging mee. Daar zong Joan Baez dit strijdlied, dat we enthousiast meezongen. En we geloofden het allemaal.”

Achterhuis was betrokken bij de opzet van deze Amnesty-campagne in Nederland en België. “We schreven niet alleen brieven, maar voerden ook actie. We waren revolutionair en utopisch in de zin dat we dachten: we kunnen het racisme en het martelen de wereld uit krijgen. We are not afraid.”

Die revolutionaire geest drong door tot in de meest persoonlijke keuzes. “Tiny en ik hebben onze zoon vernoemd naar Che Guevara. Tiny hoorde dat ze in verwachting was op de dag dat Che Guevara werd vermoord. En hij was altijd al een held voor ons geweest. Dus noemden we onze zoon niet alleen Jan, naar onze vaders, maar ook Ernest, naar Ernesto Che Guevara. Ernest Jan.”

Kritiek op de utopie

Het zijn opmerkelijke uitspraken uit de mond van iemand die later juist zijn levenswerk zou maken van kritiek op het utopisch denken. Achterhuis glimlacht. “Ik denk achteraf dat mijn kritiek, die van later datum is natuurlijk, toch vooral een kritiek was op mijzelf en op mijn achtergrond. Destijds geloofde ik zelfs dat het maoïsme de wereld zou verbeteren. Ik dacht écht dat we de wereld snel en beslissend konden veranderen. Nog steeds geloof ik daar op een diepe manier in. Maar ik geloof allang niet meer in een utopische heilstaat.”

Deze spanning tussen utopisch verlangen en nuchtere realiteit loopt als een rode draad door Achterhuis’ oeuvre. Veel van zijn filosofieboeken gaan over de manier waarop het utopisch denken onze cultuur heeft gevormd en misvormd – van Het rijk van de schaarste (1988) en De erfenis van de utopie (1998) tot Met alle geweld (2008) en De utopie van de vrije markt (2010), beide bekroond met de Socrates Wisselbeker.

Hans Achterhuis© ANP

Theologische wortels

“Ik noem me ook nog steeds theoloog”, zegt Achterhuis beslist. “In de jaren zestig hadden wij met vier theologiestudenten een huis hier in Utrecht. De een is de journalistiek ingegaan, de ander het onderwijs en alleen de derde is dominee geworden. Zelf heb ik ook gewerkt binnen de kerk.”

Bij de Nederlands Hervormde Kerk werkte Achterhuis samen met Hebe Kohlbrugge, die daar verantwoordelijk was voor het Werelddiaconaat. “Hebe heeft mij ontzettend geïnspireerd. Zij had het concentratiekamp Ravensbrück overleefd en zette zich na de oorlog onvermoeibaar in voor predikanten en christenen achter het IJzeren Gordijn. Hebe was legendarisch: ze reed zelfstandig in een klein Volkswagentje tienduizenden kilometers dwars door het moeilijk toegankelijke Oostblok. En wat deden wij in Nederland? Wij gaven aan mensen die naar het Oostblok reisden een Bijbel mee, of een tekst van Bonhoeffer, voor predikanten en gelovigen achter het IJzeren Gordijn.”

Hebe kreeg een conflict met de secretaris-generaal van de Nederlands Hervormde Kerk. “Zij was een kleine en tengere vrouw, maar voor de duivel niet bang. Het kerkbestuur vond dat er op het kantoor van de Generale Synode een overzicht moest komen van alle kerkleden die in Oost-Europa bezocht werden. Men wilde een adressenlijst. Hebe ging daar lijnrecht tegenin. Ze weigerde een lijst te maken, want die kon in handen vallen van de machthebbers. Ze had een achtergrond in het verzet en wist hoe gevaarlijk persoonsgegevens konden zijn.

Het werd een hoogoplopend conflict. Met een kleine meerderheid van stemmen werd beslist dat het kerkbestuur recht had op die adressen. Toen zei Hebe: ‘Ik voel me niet langer thuis in deze kerk en trek me terug uit mijn functie.’ Dat was voor mij ook een breekpunt. Ik heb me teruggetrokken uit de kerk. Maar ik ben wel theologisch betrokken gebleven. Tot op de dag van vandaag.”

Heilige zonder God

De promotie van Achterhuis, in 1967 in Straatsburg, markeerde de overgang van theologie naar filosofie. In zijn proefschrift Camus, de moed om mens te zijn vergeleek hij de filosofie van Albert Camus met Bonhoeffers interpretatie van het christendom.

“In reactie op de ‘God is dood’-theologie van die naoorlogse jaren dacht ik: ‘God is aanwezig. Kijk eens naar dat kruis, dat lege graf. Hij is alleen niet onmiddellijk aanwezig.’ In mijn proefschrift liet ik zien dat Camus in de ethiek heel dicht het christendom benaderde. Met name in De Pest, in het beroemde gesprek tussen twee atheïsten, Tarrou en Rieux, die allebei de pest bestrijden. Tarrou zegt dat hij een heilige wil worden, waarop Rieux vraagt: hoe dan? En dan zegt Tarrou: ‘Een heilige zonder God.’

Die uitspraak trof mij diep. Camus had alle respect voor het christendom. Toen hij in Midden-Frankrijk actief werd voor de illegale verzetskrant Combat, ontmoette hij de dominicaanse pater Raymond Bruckberger die aalmoezenier was bij het verzet. Via hem raakte hij later bevriend met progressieve katholieken in Parijs.”

Che Guevarra© Pixabay

Zwarte huid, witte maskers

Achterhuis heeft een afkeer van grote utopieën, maar zeker niet van het streven naar verbetering. In Filosofen uit de derde wereld (1975) schreef hij waarderend over het antiracisme van Frantz Fanon, die hij in Frankrijk had ontdekt. “Fanon had een afkeer van het koloniale Europa en zei: ‘We gaan niet Europa nadoen. We gaan een nieuwe wereld bouwen.’ Zo werd ik actief in de anti-apartheidsbeweging. En ik geloof nog steeds dat een wereld zonder racisme mogelijk is – maar niet op korte termijn, zoals ik toen dacht. Het is een strijd die continu aan de gang is en waar ik mij mee verbonden voel.”

Hij gebruikt het beeld van Camus in De mythe van Sisyphus (1942). “Sisyphus rolt zijn steen de berg op en als de steen bijna boven is, rolt die weer naar beneden. Maar hij geeft niet op. Hij begint opnieuw. Dat idee spreekt me aan: we gaan net als Sisyphus de berg op, keer op keer, in de strijd tegen het racisme. En zo komen we toch een stukje hoger. Er is nog steeds eindeloos veel racisme, ik weet het, maar dat kleine stukje hoger, daar houd ik aan vast.”

En toch: als je kijkt naar de wereld van nu, lijkt het racisme alleen maar erger te worden. Wat vindt Achterhuis van wat ICE in Amerika doet met mensen die er alleen maar uitzien als illegale migranten? Hij schudt zijn hoofd. “Dat is vreselijk, maar er is wel een verschil met wat Fanon meemaakte. In Zwarte huid, blanke maskers (1952) beschrijft hij hoe hij door iedereen in Frankrijk, echt door iedereen, niet voor vol werd aangezien. Hij had Franse literatuur gestudeerd en dacht: als ik Rousseau, Voltaire en Flaubert heb gelezen, dan zal ik toch wel een Fransman zijn... Maar dat was hij niet. Hij was een man met een zwarte huid. Hij beschrijft hoe in de trein een meisje van hem schrok. Een klein meisje. Dat stadium zijn we nu voorbij, hoop ik. Dus we zijn wel een stukje opgeschoten.”

Democraticide

Hoe kunnen we in deze tijd nog verandering teweegbrengen, zonder te vervallen in gevaarlijke grote utopieën? Voor Achterhuis ligt de sleutel in een concreet en begrensd alternatief. In zijn recente boek Democraticide fileert hij de uitholling van onze democratische rechtsstaat, een proces dat ironisch genoeg vaak wordt aangejaagd door populistisch of neoliberaal utopisme.

“Als medicijn tegen deze ‘moord op de democratie’ schuif ik niet nóg een groot vergezicht naar voren, maar juist een filosofie van de zelfbeperking: het limitarisme. Dit concept van econoom en filosoof Ingrid Robeyns, waaraan ik een eigen interpretatie geef, belooft geen perfecte heilstaat, maar stelt een noodzakelijke grens aan de excessen die de democratie van binnenuit kapotmaken. Er moet een grens aan het inkomen zijn, een limiet.”

De kracht van dit limitarisme is dat het niet blijft steken in morele verontwaardiging of socialistische afgunst, maar voortkomt uit een nuchtere, maatschappelijke realiteit. “Waar utopieën vaak appelleren aan emotie en totale gelijkheid, kies ik voor het limitarisme om de democratische verbondenheid te herstellen. Ik ben helemaal niet jaloers op iemand die miljonair is. Dat interesseert me werkelijk geen bal. Ik wil op een zakelijke manier laten zien dat iemand die hier zijn miljoenen verdient, gebruikmaakt van wat wij gezamenlijk als Nederlanders hebben opgebouwd.”

Toekomst

Aan het eind van het interview komt het Franciscaans Milieuproject Stoutenburg ter sprake, de religieuze communiteit waar Achterhuis in 1998 een lezing hield en daarna een trouwe bezoeker werd. “In Stoutenburg leerde ik broeder Guy Dilweg kennen. Wat mij zo aansprak aan hem: hij had een brede visie. Hij was niet sektarisch. Zo bouwde hij aan een oecumenische gemeenschap van mannen, vrouwen en kinderen die zich verbonden met elkaar en met de natuur.”

Helaas zorgt niet iedereen zo goed voor het milieu als die idealisten van toen. Stoutenburg bestaat niet meer. De toekomst ziet er somber uit: klimaatverandering zorgt voor hete zomers en natuurbranden. “Tiny en ik kunnen soms over niks anders praten: de grote branden bij Bordeaux, in een gebied dat wij goed kennen. Die naaldbomen branden heel hard, daar heeft niemand aan gedacht. Ik ben er somber over dat dit thema veel te weinig aan de orde komt in de politiek.”

Toch ziet Achterhuis ook hoopvolle signalen, vooral bij de jongere generatie. “Ik kijk graag naar onze kleinkinderen, die deels radicaler zijn dan ik. Ik ben in mijn hart heel moralistisch, maar ik zal nooit anderen voorschrijven wat ze moeten doen. Tegelijkertijd vind ik het fantastisch dat onze kleinzoon laatst op rationele gronden tegen ons zei: ‘Wij kunnen niet zo voortgaan, opa en oma. Ik ben vegetariër geworden.’ En onze kleindochter, die net als ik heeft gekozen voor de filosofie, is ook heel radicaal. Zij is actief als feministe en neemt deel – overigens samen met haar moeder en oma – aan de Rode Lijn-protesten tegen de mensenrechtenschendingen in Gaza.”

Diep in zijn hart gelooft Achterhuis het nog steeds: We shall overcome, some day. “Niet morgen, niet volgende week, maar ergens in de toekomst. Er komt een nieuwe generatie aan. De steen rolt naar beneden, maar Sisyphus begint opnieuw met zijn klim, gesteund door medestanders. En dat is hoopvol.”

Hans Achterhuis (1942) is filosoof, theoloog en voormalig Denker des Vaderlands. In zijn recente boek Democraticide onderzoekt hij de uitholling van de democratische rechtsstaat.

Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/07). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.

Geef een reactie