Sinds mijn man is overleden, kan zoiets als een doodgewoon griepje me weer terugstorten in de diepe eenzaamheid van mijn eerste rouwjaar. Over liefdevolle aandacht heb ik anders niet te klagen: de een na de ander belt en biedt aan soep te komen brengen. Ik heb geen eetlust en trek me terug als een ziek dier in haar hol. Er heeft een inwendige kou bezit van me genomen. Mijn handen en voeten voelen dood aan. Het evenwicht dat ik de laatste jaren hervonden leek te hebben, blijkt een wankele basis te hebben. Ik ben de reus op lemen voeten uit de droom van Nebukadnezar in het Bijbelboek Daniël. Er duikt een kinderachtig verlangen op naar moederlijke zorg. Herinneringen aan uitgeperste citroenen, de metalige nasmaak van Natterman hoestsiroop, de uitgesmeerde Dampo op mijn borst, een verkoelend washandje op mijn voorhoofd, de gloeiendhete aluminium kruik gewikkeld in een flanellen doek.




