In een brief uit de jaren negentig van mijn man lees ik: ‘Ik ben bitter door de aanhoudende, uitbreidende en verergerende pijnklachten en zou het lichaam graag willen opruimen. Zelf wil ik niet zozeer dood, maar dat lichaam wil ik kwijt. Jammer dat zoiets niet te regelen valt.’
Zijn woorden brengen een fabel in herinnering van de Griekse dichter Aesopos, uit de zesde eeuw v.Chr., over een wesp en een slang. Het is dit keer niet de slang die de rol van boosdoener vervult, maar de wesp, die de slang onophoudelijk in diens kop steekt. Het slachtoffer ziet op den duur geen andere uitweg dan zijn eigen kop met wesp en al door het wiel van een wagen te laten verpletteren, waardoor ze allebei sterven.
Het leven van mijn man zou eindigen in euthanasie, de enige uitweg na een veel te lange lijdensweg, een verlossing, maar een waar je moeilijk volkomen vrede mee kunt hebben.
Spaar m’n leven niet
Eveneens uit de Oudheid dateert Sofokles’ tragedie Filoktetes, nu wel met de slang in een traditionele positie. Filoktetes maakt deel uit van de Griekse vloot en wordt bij een tussenlanding gebeten door een slang. De bemanning zet hem af op een eiland, omdat ze zijn gejammer en de stank van zijn etterende wond niet verdragen. Tien jaar later hebben ze hem nodig. Ze treffen hem aan in een grot, verwilderd en verwaarloosd. Zijn enige wapen tegen de pijnaanvallen is een kruid waarmee hij zijn wond in slaap weet te sussen. Hij beschrijft zijn lichaam als iets dat niet van hemzelf is. ‘O, au, voet, wat ga je me aandoen.’ Hij smeekt Neoptolemos, de zoon van Achilles, die mededogen met hem heeft, een einde te maken aan de pijn en aan zijn leven.
O god, als je iets bij de hand hebt, kind,
een zwaard in je handen, hak dan in mijn voet.
Maai hem eraf, meteen. Spaar m’n leven niet.
Kom, jongen.
Inbeelding
In de NRC van 7 augustus 2025 lees ik een necrologie over Andrea Evers, tot haar overlijden in 2025 gerenommeerd hoogleraar gezondheidspsychologie, die onderzoek verrichtte naar het effect van placebo’s, de invloed van de geest op het lichaam. Ze meende aanvankelijk dat de geest belangrijker was, maar kwam later tot een andere overtuiging. Mensen kunnen zoveel pijn hebben dat ze suïcide willen plegen. ‘Zodra de pijn weg is, is de geest weer op orde.’
Het is een postume erkenning van de overtuiging van mijn man. Tijdens zijn leven was het een bron van frustratie voor ons dat behandelaren, na onderzoeken die niets opleverden, voor de oorzaak van de fysieke klachten verwezen naar de psyche. Deze onwetenschappelijke benadering verbaasde ons: het een vloeit immers niet logisch voort uit het ander.
Ook werd de modieuze metafoor van de computer ingezet, wat leidde tot een redenering in deze trant: ‘De hersenen hebben ooit een pijnprikkel ontvangen, de pijn is weg, maar het programma draait door. U zult zelf de programmatuur in de hersenen moeten herstellen.’ Tja, en nu moesten we nog de handleiding voor de reparatiewerkzaamheden zien te vinden.
Mijn man was ervan overtuigd dat zijn geestelijke ellende voortkwam uit de pijn en niet andersom. Hierover schreef hij in bovengenoemde brief: ‘Onderzocht wordt of en in welke mate het Inbeelding zou kunnen zijn. Als de pijn in verhouding staat tot wat er geestelijk mis is, ben ik gekker dan ik dacht en kan ik maar het beste worden opgenomen.’
Vrijheid, blijheid
‘Suicide is painless’, zingt het nu in mijn hoofd en ik denk aan een boek uit mijn jeugd dat ik ondanks uitgebreide zoektochten nooit meer heb teruggevonden. Hoewel mijn moeder me steevast waarschuwde dat ik mijn verstand nog eens zou ‘verlezen’, mocht ik heel af en toe een boek uitzoeken in een echte boekwinkel. Mijn oog was gevallen op een uitgave met een zonnegele linnen band en een silhouet van een vrijstaand huis op de voorkant.
Het trok me aan, het was zo heel anders dan de traditionele voorspelbare meisjesboeken met stofomslagen van vrolijke Merels en Loesjes. Het had iets geheimzinnigs, te meer omdat de verkoopster mijn moeder met klem mijn keuze afraadde, want ongeschikt voor mijn leeftijd. Ik zweeg, maar mijn hele houding drukte uit: dát boek of helemaal niets. Mijn moeder was bepaald niet vrijzinnig, maar in mijn boekenkeuze liet ze me vrij. Vervuld van een groot geluk verliet ik de winkel – dezelfde waar ik later zou gaan werken.
Spookverhaal
Het verhaal loste mijn verwachtingen in. De hoofdpersoon, Betsy, zit meestal in een rolstoel, al kan ze nog wel enigszins lopen. Zij lijdt dag en nacht pijn. Samen met een groep vriendinnen viert ze vakantie aan zee. Wanneer haar voeten voor het eerst in het mulle zand onder water verdwijnen, glijdt de pijn van haar af. Dan volgt de eindeloze scène waarin Betsy midden in de nacht in haar eentje door de duinen ploegt. De martelgang van het blootsvoets voortstrompelende meisje, de snijdende pijn bij elke stap die ze zet, haar verlangen naar de zee – ik zie het nog haarscherp voor me. Het laatste beeld is van Betsy die de zee inloopt, een happy end.
Het is toch wel heel onwaarschijnlijk dat ik dit echt heb gelezen. Zo’n onderwerp met deze afloop in een meisjesboek zou in de jaren zestig uitgesproken controversieel zijn geweest en beslist zijn beland in de geschiedenis van de jeugdliteratuur, waar ik het nooit heb aangetroffen. Jeroen Brouwers wijdt in zijn veelomvattende studie De laatste deur, over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, een hoofdstuk aan de kinder- en jeugdliteratuur en rept er met geen woord over. Betsy is waarschijnlijk samengesteld uit herinnering en fantasie, een spookverhaal. Maar mocht er bij een lezer toch een belletje gaan rinkelen, dan houd ik me aanbevolen.
Bep van Muilekom (1955) is literatuurwetenschapper. Bij Uitgeverij VOLZIN verscheen haar boek De pijn zingen. Eerder publiceerde zij Sub rosa, bekroond met de Henri Nouwen Manuscriptprijs, Een wijd land en Kinderen van de chaos.
Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/05). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.
Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.





