
Al lange tijd was ik van plan om eens naar een Voedselbank te gaan. Ik wist dat de eerste Voedselbanken sinds begin deze eeuw in Nederland actief zijn, dat mensen er voedselpakketten krijgen en dat veel vrijwilligers zich ervoor inzetten. Maar ik stelde mijn bezoek steeds uit. Er was altijd wel een reden om niet te gaan. Dat veranderde kort voor de zomervakantie. Na een zoveelste bericht in de krant over de alsmaar stijgende prijzen en de groeiende groep mensen die hierdoor in de problemen komt, vond ik dat ik moest gaan.
Ik mailde Emmy de Kraker, voorzitter van de Voedselbank Walcheren. Na een positieve reactie sprak ik met haar af. Ik wilde weten welke mensen er komen, hoe de organisatie werkt, hoeveel mensen gebruikmaken van de Voedselbank en vooral of mijn eigen beeld van de bezoekers wel klopte. Want ja, ik had vooroordelen, dat was ik me bewust. Maar de meeste zouden wel kloppen, toch? En… er speelde nog iets.
Mijn beeld van mensen die naar de Voedselbank gaan, was niet bepaald positief. Een flink deel van de mensen die daar terechtkomen heeft het er waarschijnlijk zelf naar gemaakt, meende ik. Misschien zijn ze onverstandig met geld geweest, hebben ze verkeerde keuzes gemaakt of niet hard genoeg gewerkt. Misschien hebben ze zich te gemakkelijk in de schulden gestoken. Het was geen bewust en uitgesproken oordeel over iedere bezoeker, maar wel een verzameling aannames die ergens in mijn hoofd bestond.
Mijn gesprek met Emmy de Kraker heeft dat beeld behoorlijk bijgesteld. Zij ontkrachtte de meeste van mijn vooroordelen. Het is echt niet zo dat de meeste mensen die bij haar Voedselbank komen, er met de pet naar hebben gegooid en daarom financieel in de problemen zijn gekomen. De oorzaken zijn veel ingewikkelder. Mensen kunnen opeens hun baan verliezen, in een scheiding terechtkomen, schulden opbouwen, met verhoogde vaste lasten te maken krijgen of door andere omstandigheden financieel in de knel raken.
Haar stelligheid vond ik indrukwekkend. Wie zelf voldoende geld heeft, kan gemakkelijk denken dat financiële problemen vooral het gevolg zijn van persoonlijke keuzes. Maar het leven is niet zo maakbaar als we graag denken. Een onverwachte rekening kan voor iemand met een financiële buffer vervelend zijn, terwijl diezelfde rekening voor iemand zonder buffer een groot probleem kan veroorzaken. In theorie wist ik dit natuurlijk wel, maar het in de praktijk zien is een ander verhaal.
Cijfers van de Voedselbank Walcheren maken duidelijk dat het om een omvangrijk probleem gaat. Eind 2024 maakten 245 huishoudens gebruik van de Voedselbank, samen goed voor 736 personen. In 2023 waren dat nog 213 huishoudens. Begin 2026 was het aantal verder gestegen tot ongeveer 340 gezinnen, goed voor naar schatting 1000 mensen (Walcheren telt ruim 100.000 inwoners). Dat getal bleef bij mij hangen: 1000 mensen. Mensen die allemaal hun eigen levensverhaal hebben. De groep bestaat uit verschillende leeftijden en achtergronden. Volgens De Kraker zijn er de laatste tijd meer zestigplussers en AOW’ers bij gekomen. Ook mensen met een koophuis, zzp’ers en tweeverdieners lijken financieel vaker in de problemen komen. Financiële onzekerheid wordt dus steeds gewoner voor steeds meer mensen.
De organisatie achter de Voedselbank bleek veel omvangrijker en ingewikkelder dan ik mij had voorgesteld. Het gaat niet simpelweg om het uitdelen van dozen of kratten met voedsel. Voedsel moet worden ingezameld, opgehaald, gesorteerd, opgeslagen en verdeeld. Er moeten pakketten worden samengesteld en afspraken worden gemaakt met leveranciers, supermarkten en andere bedrijven, maatschappelijke organisaties en vrijwilligers.
De Voedselbank Walcheren werkt uitsluitend met vrijwilligers. Dit geldt voor alle functies binnen de organisatie. Ongeveer negentig vrijwilligers zijn actief. Voor mijn bezoek keek ik vooral naar de mensen die voedsel kwamen halen. Erna was ik veel meer bezig met de mensen die ervoor zorgen dat het voedsel er überhaupt is. Dat vond ik heel inspirerend. De Voedselbank is niet alleen een plek waar mensen hulp ontvangen, maar ook een plek waar anderen hun tijd, energie en betrokkenheid geven. De ene mens komt omdat hij hulp nodig heeft, de andere omdat hij hulp wil geven.
Tegelijkertijd blijft het bestaan van een Voedselbank ongemakkelijk voelen. Het is goed dat er Voedselbanken zijn, maar het is in mijn optiek niet goed dat ze blijkbaar noodzakelijk zijn in Nederland, een van de rijkste landen ter wereld. Een voedselpakket kan iemand helpen een moeilijke periode door te komen, maar lost geen schulden, hoge woonlasten of andere financiële problemen op.
Juist daarom moeten we voorkomen dat we het bestaan van Voedselbanken als vanzelfsprekend beschouwen. Een Voedselbank is een belangrijk vangnet, maar zal nooit de oplossing voor armoede worden. Kerken hebben een belangrijke rol gespeeld bij de snelle verspreiding en ondersteuning van Voedselbanken, ook in Walcheren, vooral in de eerste jaren. Ik was me dat te weinig bewust. Maar het zou toch een taak van de overheid moeten zijn om alle Voedselbanken in Nederland overbodig te maken?
Mijn bezoek werd niet alleen een confrontatie met maatschappelijke armoede. Het werd ook een confrontatie met mezelf. Onder mijn vooroordelen lag een diepe angst, waarvan ik me vooraf te weinig bewust was. Ik leef al lange tijd met de angst om financieel niet rond te kunnen komen en uiteindelijk alles kwijt te raken. In mijn meest extreme gedachten eindigt die angst ermee dat ik onder een brug beland en daar, volledig alleen, sterf. Zelfs God is niet meer in mij geïnteresseerd.
Mijn jeugd in een Drents dorpje speelt hier een belangrijke rol in. Mijn ouders hadden een winkel die al vrij snel na de opening, eind jaren zeventig, steeds minder goed draaide vanwege groeiende concurrentie. Als kleine jongen merkte ik dat er financiële zorgen waren. Ik begreep natuurlijk niet alle details, maar ik voelde de spanning zeker. Ik zag dat mijn ouders zich zorgen maakten en merkte dat het steeds minder goed ging.
Op een bepaalde manier voelde ik me ook verantwoordelijk voor hun winkel. Ik probeerde mijn ouders te helpen. Als kind dacht ik misschien dat ik iets kon doen waardoor de situatie beter zou worden. Achteraf gezien was dat natuurlijk een verantwoordelijkheid die niet bij een kind hoort. Een kind hoort niet te denken dat het medeverantwoordelijk is voor het financieel overeind houden van een gezin. Maar als kind redeneer je niet zo. Je ziet dat je ouders problemen hebben en probeert te helpen. Die ervaring heeft heel veel in mij achtergelaten. Geld staat voor mij daardoor niet alleen voor geld, maar ook voor veiligheid. Voor een dak boven je hoofd, eten op tafel en de zekerheid dat je morgen nog kunt blijven wonen waar je woont.
Ongetwijfeld verklaart dit ook waarom ik mijn bezoek aan de Voedselbank zo lang heb uitgesteld. Ik dacht dat het vooral kwam doordat het nooit goed uitkwam. Maar achteraf vraag ik me af of ik ook bang was om iets te zien dat mijn eigen angst dichterbij zou brengen. De Voedselbank is immers een plek waar financiële kwetsbaarheid zichtbaar wordt. Toen ik er eenmaal was, realiseerde ik me dat ik niet alleen naar anderen keek. Ik keek ook naar mezelf.
In Nederland hoeft niemand van de honger te sterven omdat hij of zij tijdelijk of langdurig niet genoeg geld heeft om voedsel te kopen. Er zijn Voedselbanken, kerken, diaconale projecten, hulpverleners, gemeenten en andere organisaties die mensen proberen op te vangen. Dat betekent niet dat financiële problemen eenvoudig zijn. Een voedselpakket lost geen schulden op en maakt iemand niet automatisch financieel onafhankelijk. Maar het betekent wel dat iemand die in de problemen komt, niet helemaal alleen staat. Dat inzicht heeft mijn angst niet weggenomen, maar wel veranderd. Ik ben gaan beseffen dat hulp nodig hebben niet hetzelfde is als falen. Wie vandaag de boodschappen gemakkelijk kan betalen, weet niet wat er morgen kan gebeuren. Een baan kan verdwijnen, een relatie kan eindigen, een onderneming kan mislukken of de vaste lasten kunnen te hoog worden. We zijn kwetsbaarder dan we soms denken.
Daarom vind ik het nu veel mooier om mensen die bij de Voedselbank komen, niet per se als ‘anders’ te beschouwen. Zij zijn niet wezenlijk anders. Zij bevinden zich in andere omstandigheden. Het gesprek met Emmy de Kraker heeft mij geholpen dat beter te begrijpen. In zekere zin werd dit gesprek een minicursus ‘praktische mystiek’ voor mij. Ik ging naar de Voedselbank met de vraag welke mensen daar komen. Ik kwam terug met de vraag waarom ik me in mijn hoofd had gehaald dat ik die mensen eigenlijk al kende. Want ik kende ze niet. Ik kende hun levens en hun financiële omstandigheden niet. Ik kende hun keuzes niet. Ik kende hun zorgen niet. Ik had alleen een beeld. En een beeld is geen mens.
Door mijn bezoek ben ik ook anders gaan nadenken over het begrip armoede. We spreken vaak over ‘arme mensen’, alsof armoede een eigenschap is. Maar armoede is geen karaktertrek. Het is een situatie. Wanneer we zeggen dat iemand arm is, bestaat het gevaar dat we de persoon en zijn omstandigheden met elkaar verwarren. Wanneer we zeggen dat iemand financiële problemen heeft, erkennen we dat die persoon meer is dan zijn financiële situatie. Iemand die bij de Voedselbank komt, kan tegelijkertijd vader of moeder zijn, werknemer of werkzoekende, buurman, vriend, sporter of muziekliefhebber. Hij kan trots zijn op zijn kinderen, zich zorgen maken over zijn gezondheid of plannen hebben voor de toekomst. Zijn financiële problemen zijn daar maar één onderdeel van. Dat geldt ook voor mij. Mijn angst om financieel niet rond te komen is een onderdeel van mijn verhaal, maar bepaalt niet wie ik ben. Misschien is dat precies wat ik tijdens mijn bezoek heb geleerd.
Nee, mijn vooroordelen zijn door het gesprek met Emmy de Kraker niet simpelweg allemaal vervangen door mooie, inzichtgevende verhalen. Ze zijn wél onderdeel geworden van een complexer verhaal. Ik zie nu beter dat financiële problemen verschillende oorzaken kunnen hebben en dat het onverstandig is om op basis van iemands situatie conclusies te trekken. Ik begrijp ook beter waarom het zo gemakkelijk is om vooroordelen te hebben. Misschien geeft een vooroordeel ons een gevoel van controle. Als ik geloof dat mensen vooral arm worden door verkeerde keuzes, kan ik denken dat mij dat niet zal overkomen zolang ik maar verstandig blijf. Dan lijkt de wereld overzichtelijk. Maar de werkelijkheid is niet zo overzichtelijk. Je kunt verstandig zijn en toch pech hebben. Je kunt alles proberen goed te doen en toch op een punt komen waarop je hulp nodig hebt.
Dat besef raakt ook mijn eigen angst. Ik hoef niet meer te denken dat ik volledig veilig ben zolang ik maar alles goed doe. Volledige zekerheid bestaat niet. Maar ik hoef ook niet te geloven dat een financiële tegenslag automatisch betekent dat ik dakloos word. Want: er zijn mensen! Mensen die bereid zijn om te helpen. Een andere blik.
Ik ging naar de Voedselbank om mijn vooroordelen over anderen te onderzoeken. Uiteindelijk werd ik vooral geconfronteerd met mijn eigen angst. De angst om alles kwijt te raken en alleen onder een brug te eindigen. Die angst zal waarschijnlijk niet helemaal verdwijnen. Maar mijn beeld van de toekomst is wel veranderd. Ik weet nu dat er onderweg vangnetten bestaan, menselijke handen die me kunnen helpen. Goddelijke handen wellicht. In een volgend nummer meer over deze handen.
Greco Idema is hoofdredacteur van Volzin magazine.
Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/07). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.