
Nu ik de tachtig nader wordt het tijd om eens even stil te staan bij hoe het intussen gaat met die Venlose jongen die ik ooit was – de jongen die ooit als ‘welp’ in Utrecht het ‘diploma handige jongen’ kreeg, zoals mijn vader dat spottend noemde, en die zich destijds afvroeg wat de rector van het katholieke internaat in Heeswijk toch bedoelde met ‘te veel affect’.
Omdat verandering de basis is van alles op deze aarde, bestaat die jongen niet meer. Als ik naar een kinderfoto kijk, zou ik hem wellicht nog vaag herkennen. Maar geen enkele cel in mijn lichaam is nog dezelfde als toen. Er is een eeuwenoude discussie onder boeddhisten over de vraag of er wel of niet een permanent ‘zelf’ bestaat. Omdat alles voorbijgaat, is dat inderdaad zeer de vraag.
Hoe is het intussen gesteld met dat negatieve zelfbeeld waarmee die jongen in zijn puberteit zo worstelde? Wat heeft het hem opgeleverd dat hij de keus maakte om zich vooral toe te leggen op aandacht voor de ander, nadat hij zichzelf had afgeschreven als rijp voor de hel of minstens het vagevuur, zodat hij later aan de hemelpoort zou kunnen zeggen dat hij weliswaar een mislukte zondaar was, maar zich toch onvermoeibaar had ingezet voor de medemens en voor de komst van het Rijk Gods?
Hoe heeft dat ‘teveel aan affect’ die jongen parten gespeeld in zijn relaties met anderen, vooral met vrouwen? En heeft hij misschien al die boeken geschreven om te bewijzen dat hij toch mocht bestaan en ook wel eens gehoord wilde worden, nadat hij in zijn jeugd al die preken van zijn vader beleefd zwijgend had aangehoord?
Om maar te beginnen met de eerste vraag: ik ben er in mijn leven gaandeweg achter gekomen dat het niet waar is dat een mens eerst van zichzelf moet houden, voordat hij van een ander kan houden. In mijn tijd als docent aan de sociale academie moesten we tijdens een trainingsdag eens een tekening van onszelf maken. Ik tekende een heuvel met prachtige bloemen en een warme zon daarboven. Maar binnen in die heuvel tekende ik een groot zwart gat dat voor de buitenwereld niet zichtbaar was. Dat gat stond voor mijn eigen angsten, twijfel aan mijzelf, innerlijke onveiligheid, goed gecamoufleerde onzekerheid.
Als ik in die tijd ergens een lezing moest houden, wilde ik altijd achter een tafel zitten en vooral niet achter een lessenaar staan, uit angst dat ik flauw zou vallen. Intussen sta ik al jaren graag achter een lessenaar en is dat zwarte gat zo goed als verdwenen, al bloeien er ergens in mijn binnentuintje nog wel een paar neuroosjes, maar die zijn in de loop der jaren wel tot hanteerbare proporties gekrompen.
Hoe is die heling tot stand gekomen? Doordat ik niet ben weggezakt in dat zwarte gat in mezelf, maar me heb gericht op hoe ik mijn leven zinvol zou kunnen maken voor de ander en voor de wereld. Het verborgen geschenk uit mijn jeugd was dat ik anderen de oordeel-loze aandacht kon geven die ik zelf gemist had. De wisselwerking die zo ontstond, leidde ertoe dat ik zelf ook steeds meer liefde en waardering begon te ontvangen en dat ik naar mezelf ging kijken met dezelfde mildheid, hetzelfde begrip en dezelfde liefde als die waarmee ik de buitenwereld tegemoet trad.
Natuurlijk heeft iets in mij – en ik denk in ons allemaal – altijd al gehunkerd naar liefde, naar mogen zijn wie je bent, naar bevestiging, naar emotionele veiligheid. En misschien komt dat ‘teveel aan affect’ wel voort uit die hunkering. Hoe meer die basisveiligheid en die bevestiging ontbreken, hoe groter wellicht die hunkering wordt, dat ‘affect’. De reactie daarop kan vele vormen aannemen, ook negatieve en zelfs agressieve, wanneer iemand blijft steken in wrok en teleurstelling en emotionele armoede. Het kan ook leiden tot apathie. Iedereen kent wel mensen die zich een leven lang blijven beroepen op een moeilijke jeugd en nooit in beweging komen.
Ik heb geluk gehad. Er kwamen mannen in mijn leven met wie ik warme vriendschappen kon onderhouden. Er kwamen vrouwen in mijn leven die mij lieten voelen dat ik de moeite waard was om lief te hebben, waardoor ik ook leerde mezelf meer lief te hebben.
Als je de werkelijkheid van de ander volledig accepteert en daarover met elkaar in communicatie blijft, dan kun je in liefde samenleven en verbonden zijn. Dan kun je met de dichter Hans Andreus zeggen:
Je bent zo mooi anders dan ik,
natuurlijk niet meer of minder
maar zo mooi anders,
ik zou je nooit anders dan anders willen.
Er loopt door mijn beschouwend werk een rode draad van herbezinning op het christelijk gedachtegoed dat ik in mijn jonge jaren heb meegekregen. Dat is mede veroorzaakt door het treurige feit dat ik tijdens mijn leven getuige ben geweest van de teloorgang van zoveel cultuur, kennis en waarden die onlosmakelijk verbonden waren aan een samenleving waarin de christelijke traditie nog werd doorgegeven.
Natuurlijk weet ik dat alles voorbijgaat en dat elk tijdperk vroeg of laat ten einde loopt. En natuurlijk deel ik de kritiek op de kerkelijke claim de waarheid in pacht te hebben, de kritiek op morele bekrompenheid en hypocrisie, op een theologie die de mens beschouwt als een nietswaardige worm en schuldig vanaf zijn geboorte. Natuurlijk deel ik de kritiek op de afwijzing van de wetenschap waar die niet past in het kerkelijk mens- en wereldbeeld, op elk instituut waarin hiërarchische structuren de vrijheid van denken en van het maken van eigen levenskeuzes belemmeren.
Ik ben allang geen reguliere kerkganger meer. Maar ik kan het niet aanzien dat het kind met het badwater wordt weggegooid.

In 1970 verscheen er een klein boekje van de hand van de Nijmeegse hoogleraar cultuur- en godsdienstpsychologie Han Fortmann: Oosterse Renaissance. Kritische reflecties op de cultuur van nu. Hij had het op zijn sterfbed geschreven en het zou binnen tien jaar veertien herdrukken beleven.
Ergens in dat decennium kreeg ik Oosterse Renaissance ook onder ogen. Het raakte me diep in mijn ziel, omdat het een conflict blootlegde dat ik in mezelf herkende: het conflict tussen de westerse manier van denken, gericht op de buitenwereld, de materie, de toekomst en vergankelijk geluk, en de oosterse waarin de weg naar geluk bestaat uit het oefenen in aandacht voor het hier en nu. Ik las het boekje grondig en ging het ook gebruiken in mijn lessen aan de academie, waar ik intussen naast filosofie ook een keuzevak levensbeschouwing mocht aanbieden onder de deftige naam ‘agogisch-theologische opleiding’.
In 1977 schreef ik een artikel in Sfinx waarin ik het conflict dat Han Fortmann zo helder verwoord had, beschreef als mijn eigen conflict en dat van mijn generatie van wereldverbeteraars. De revolutie van eind jaren zestig was doodgelopen. Nu stonden we voor de keus om door te gaan met proberen de maatschappij te veranderen door sociale en politieke actie, of de weg naar binnen te gaan die ons vanuit het Oosten werd aangereikt door het boeddhisme, taoïsme en hindoeïsme.
Een Indiase goeroe, Bhagwan, werd in de jaren zeventig ineens ‘hot’. Op een gegeven moment liepen veel mensen, ook studenten van de academie, in oranje kleding rond en met een mala om hun nek. Velen reisden zelfs naar Poona in India om zijn kleed te mogen aanraken. De wijsheid van Bhagwan staat voor mij buiten kijf, en zijn boeken inspireren me nog steeds. Met zijn beschouwingen over het Thomas-evangelie was hij zijn tijd zelfs vooruit.
Maar het circus dat deze goeroe om zich heen creëerde en de wantoestanden die dat teweegbracht en die tot zijn ondergang zouden leiden, stonden mij tegen. Ik had sowieso geen behoefte aan goeroes en voelde me meer aangesproken door wat Ben Bos eens tijdens een redactievergadering van Sfinx zei: ‘Ik wil mijn stekker niet in een of andere goeroe steken, maar liever rechtstreeks in de Grote Lichtbron.’
Op mijn artikel kwam in een volgend nummer van Sfinx een verrassend verhelderende reactie van de hand van de zenleraar Maarten Houtman, met als titel ‘Meditatie als integratie’. Een citaat:
Echte meditatie is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar drukt ons juist met de neus op de daagse werkelijkheid. Zo streng zelfs dat de gedachte aan veranderingen in de toekomst niet toegelaten wordt. Wij gaan onszelf beleven als medespelers in het grote geheel van het maatschappelijke en het wereldgebeuren. We gaan echter ook ontdekken dat geweld, agressie, wantrouwen, leugen en manipulatie vertakkingen hebben in onszelf. Wij zien dan de groteske dwaasheid van het zaken buiten ons bestrijden die in onszelf nog niet geklaard zijn. Anderzijds zijn de misstanden buiten ons te duidelijk om ons niet te doen beseffen dat wij op de vlucht zijn, wanneer we alleen maar aan onszelf zouden werken.
Ik dacht: van die man kan ik iets leren. En dat bleek een juiste gedachte. Op zijn sterfbed, in 2011, ben ik Maarten Houtman er nog voor gaan bedanken. Niet met veel woorden, maar wel door in stilte naast hem te gaan zitten. Hij heeft me dikwijls verteld hoe hij als kind urenlang stil zat te kijken naar de rand van het oerwoud in Indonesië, waar hij was opgegroeid.
In zijn autobiografische roman De andere oever schrijft Maarten hoe hij later leerde de gruwelen van deze wereld onder ogen te zien, toen hij te werk werd gesteld bij de zieken en stervenden in een Japans concentratiekamp. Citaat: ‘In de dodenbarak word ik een stilte binnen getrokken die alle bijkomstigheden wegwist. De uitgeteerden die de drempel overgaan vinden zichzelf terug in een barmhartig licht, waar hun vroegere oordelen en angsten verdwijnen.’
Die innerlijke stilte en dat oordeelloze waarnemen van de werkelijkheid, in al haar schoonheid en verschrikkingen – het was de basis van zijn onderricht.
De komende jaren zou ik mij onder leiding van Maarten gaan oefenen in zenmeditatie, waarbij mij in het begin het zweet over de rug liep bij het lange roerloze zitten. Maar ik dacht: als ik nu wegloop ben ik verloren. Ik moet dwars door de muur heen en aankijken wat zich in mijzelf wil oplossen.
In een van de eerste sessies die ik meemaakte vertelde Maarten het verhaal uit het evangelie van Johannes over die huiveringwekkende nachtelijke ontmoeting tussen Jezus en de farizeeër Nikodemus. Jezus zegt tegen hem dat we opnieuw geboren moeten worden. Dat lijkt Nikodemus onmogelijk: we kunnen toch niet terug naar de moederschoot en opnieuw beginnen! Maar Jezus bedoelt dat we ons oude ‘ik’ moeten afleggen en dat het gaat om een geestelijke wedergeboorte. En dan zegt Jezus: ‘Jij bent een leraar van het volk, en jij begrijpt dit niet?’
Die woorden troffen mij als een blikseminslag. Ik was ook leraar, en wat begreep ik nou helemaal… Er was innerlijk werk te doen.
In die tijd ging ik me ook voor het eerst verdiepen in de preken van Meister Eckhart en in teksten van Johannes van het Kruis. ‘Heel stil worden, dat is voor jou het allerbeste’, zo leerde ik van de Rijnlandse Meister. En Johannes van het Kruis nam me mee op zoek naar de verborgen bron, bij zijn beklimming van de berg Karmel waar je alles los moet laten om het Al te vinden. Dankzij de zenmeditatie kwam ik op het spoor van een nieuwe, inspirerende laag in het christendom: de christelijke mystiek.
Dit artikel is een bewerking van enkele passages uit de autobiografie van Hein Stufkens, Ook dit gaat voorbij. Stufkens (1947) geniet bekendheid door zijn boeken op het gebied van filosofie en spiritualiteit, gedichten- en liederenbundels en romans.
Boekgegevens:
Hein Stufkens, Ook dit gaat voorbij. Uitgeverij VOLZIN, 348 blz., € 24,50. Bestel het boek via deze link of door op onderstaande illustratie te klikken.
Dit artikel is te lezen in Volzin magazine (editie 2026/06). Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.