Hij weet niet waarom hij poëzie schrijft. Dat vraag hij zich soms wel eens af. “Ik houd van taal, maar ben niet iemand die woorden of mooie uitdrukkingen koestert. Ik wilde eigenlijk jazzpianist worden, en voetballer, doorbreken bij ADO Den Haag. Dat ik dit nu ben, snap ik nog steeds niet. Ik heb Nederlands gehad van Gé Vaartjes, die de Bomans-biografie heeft geschreven. Hem heb ik mijn eerste schrijfsels laten zien. Carnaval der melaatsen heette het: tientallen vreselijk slechte gedichten waar hij toch stimulerend commentaar op gaf. Later werd ik gegrepen door de dichters John Ashbery en Nachoem Wijnberg.”