
Zoekende. Dat was hoe ik en gelijkgestemde jongeren onszelf benoemden, halverwege de jaren tachtig. Wij spraken het plechtig uit, als een soort codewoord om aan te geven dat we niet meer geloofden in de leerstellingen van traditionele godsdiensten, maar ook geen genoegen namen met louter aards genot en maatschappelijk functioneren. Wij ervaarden een religieuze impuls, maar wisten niet hoe daar woorden aan te geven, laat staan handen en voeten. Een tiental jaar later bleek dit gevoel zo wijdverbreid dat Ronald Plasterk er in 1997 de term ‘ietsisme’ voor lanceerde: het geloof of gevoel dat er wel ‘iets’ moet zijn, iets hogers, iets transcendents en zingevends, waarvoor traditionele begrippen niet meer voldoen.