Lang voordat ik een jaar of acht geleden aan dit boek begon, had ik met het kwaad al een verstandhouding opgebouwd. En dat niet als zijdelings geïnteresseerde maar als deelgenoot; ervaringsdeskundige, zoals dat tegenwoordig heet. Het beeld van de brede weg die volgens  Mattheus 7 het kwaad behelst en onherroepelijk ten verderve leidt, werd me voorgehouden door een grootmoeder die vanwege haar lidmaatschap van de ultraorthodoxe Gereformeerde Gemeente goed thuis was in de Heidelberger Catechismus. Ze dwong me op de knieën met de spreuk dat wij mensen vanwege onze fundamentele verdorvenheid ‘ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.’