De mailwisseling met de vriend, die mij aanzette tot het schrijven van dit boek, is begonnen met gedachten over de dood. In een apart document had hij zijn ideeën daarover uitgewerkt. Ik geef ze hieronder weer: 


“Honderd jaar geleden waren wij er al. Niet als individuen, maar als onderdelen van het geheel. De (onvergankelijke) stoffen waaruit ons lichaam nu bestaat, waren er als verspreide stukjes materie. In de lucht, het water, in levende wezens. Veel van onze geestelijke eigenschappen bestonden ook al. In het DNA en bepaalde verworven eigenschappen van onze voorouders. Onze geboorte bracht met zich mee dat we behalve zijn, ook bewustzijn werden. In zekere zin zijn we daardoor los gescheurd van het geheel. Kan een eenzaam gevoel geven. Wie daar gevoelig voor is kan heimwee krijgen naar het grote verband waar we eens deel van uit maakten. Echter: wie vooral in het hier en nu leeft zal dit niet snel voelen: ‘Ons leven is alles wat er is.’ Wie wel gevoelig voor het grote geheel is kan hiertoe benadering zoeken door meditatie (wat mij slecht lukt) of door ‘wetenschappelijk’ (verder dan het hier en nu) te denken zoals bv. Spinoza deed.

Wie zo denkt hoeft de dood niet te vrezen. De dood is het weerkeren naar het grote geheel. Zoals een druppeltje zeewater weer terugvalt in de golven. Ik ga ervan uit dat ons bewustzijn stopt. Het blote zijn (tezamen met onze gestorven geliefden) moet voldoende zijn. En dus: niet onze geest is onsterfelijk, maar ons lichaam. Veel mensen zullen dit beeld wel kunnen onderschrijven. Het zijn veel open deuren. De troost die het kan geven is wat mager. Veel mensen die ik het vertel zeggen: wat heb ik eraan? Alleen ons tijdige leven met bewustzijn beschouw ik als ‘echt bestaan’. Tja, daar kan ik weinig tegenin brengen. Voor mij is het wel een zekere troost. Ik verdwijn niet helemaal. Op een bepaalde manier blijf ik bestaan. Ik hoop (in de toekomst) deze troost nog eens wat op te kunnen poetsen doormiddel van verdere doordenking en/of meditatie. Het gevoel hebben dat je onderdeel bent van een geheel. Het zich één voelen moet een gevoel van liefde oproepen, toch een onmisbaar element in de troost.”

Energie

De meest verrassende uitspraak in deze korte reflectie van mijn vriend is: niet onze geest is onsterfelijk, maar ons lichaam. In mijn reactie heb ik er in rood onder geschreven: dat is een goeie! En het is ook een goeie in die zin, dat er troost van uitgaat. Ook ons lichaam kan niet verloren gaan, maar maakt deel uit van het eeuwige transformatieproces dat dit universum in stand houdt. Het wordt weer aarde, zoals het geweest is – zegt de zeer wijze Prediker. Daar gaat een enorme rust van uit. 

Je kunt er zelfs naar verlangen, zoals Gerrit Achterberg dat uitdrukt in zijn gedicht Het nameloze:

‘Laat mij weer worden aarde
met aarde over mij heen…’  

Maar behalve dat ik het een goeie vond, heb ik ook nog toegevoegd dat ik lichaam en geest niet op die wijze als een tegenstelling zie:

“Ik zie geen tegenstelling, ze zijn beide energie. Dat beschouw ik als de escape uit een valse tegenstelling. Energie omvat zowel lichaam als geest. Is wetenschappelijk en empirisch maar tegelijk onzichtbare werkelijkheid. Niet mijn individualiteit blijft – vind het juist een troost daarvan verlost te worden, begrijp niet dat zoveel mensen dat zo belangrijk maken – maar wel de energie die door mij heen stroomde en mij aandreef. Zoiets als DNA en H2O… Het zal je niet verbazen dat ik tot de uitdrukking liefdesenergie kom – en daarmee is het niet mager maar wordt het relevant en urgent. Zoals Spinoza eigenlijk uit het niets uitkomt bij ‘de eindeloze liefde van God’. Nota bene vanuit zijn haast wiskundige benadering.”

Eindeloos bewustzijn?

Wat mij ook trof in zijn ideeën is de opmerking: ik ga ervan uit dat ons bewustzijn stopt. Dat is een aanname die door velen in onze tijd gedeeld wordt – maar ook door velen niet. Door steeds meer niet, denk ik. Het is precies wat Pim van Lommel heeft willen aantonen in zijn beroemde Eindeloos bewustzijn. En waarop ook Ineke Visser doelt als zij het in haar Licht op sterven heeft over verruimd bewustzijn. 

Verbijstering en verrukking cover

Ik kan er alleen maar dit van zeggen: na lezing van deze boeken zal ik niet meer zo gemakkelijk zeggen dat bij de dood ons bewustzijn stopt. Die aanname gaat me na de argumenten van Van Lommel net iets te snel. Ik ga echter ook niet meteen mee in het tegenovergestelde, de aanname van het eindeloos bewustzijn. Ik zie veel mensen om me heen die het te gretig omarmen, als een nieuw geloof. Dat is geen zuiver uitgangspunt. Misschien ben ik bang dat ik mezelf te snel rijk reken, maar ik kan me er niet onbekommerd aan overgeven.

Bovendien wil ik niet afhankelijk zijn van bewustzijn als het gaat over de eeuwigheid. Stel je voor dat mijn liefdesenergie, mijn geestelijke DNA, intens voortleeft in mijn nabestaanden, in mijn nagelaten geschriften en later los van mijn individu wordt doorgegeven aan volgende generaties, maar mijn bewustzijn is gestopt – is dat dan erg? Is het voortbestaan van mijn liefde afhankelijk van mijn bewustzijn? Nee dus. 

Sterker nog, is het vasthouden aan eindeloos bewustzijn niet een verkapte overlevingsdrang van het ik?     

Al met al kom ik niet veel verder dan: ik sluit het niet uit. Hoewel… daarmee zeg ik dan weer te weinig. Laat ik zeggen: het zou me niet verbazen. Omdat het zou passen in de voortgaande lijn van verruimd bewustzijn die ons leven te zien geeft. Waarom zou die lijn zich niet voortzetten voorbij onze dood? Vanaf de geboorte steeds verruimend bewustzijn – ja, want zo vergaat het iedereen! – dat uiteindelijk overgaat in eindeloos bewustzijn. Als een immer uitdijend innerlijk universum. Het klinkt heel logisch, dus wie weet.

Ik wacht het nieuwsgierig af. Met beide uitkomsten kan ik leven – nou ja, dood zijn.     

Werelden om ons heen

Er is een ander inzicht, opgekomen uit de ervaring, waaraan ik mij wel onbekommerd overgeef. Ik ervaar een sterk besef van ‘onzichtbare werelden om ons heen die wij niet kunnen waarnemen’, zoals Einstein het uitdrukte. Het is een intuïtie die overtuigender wordt naarmate ik toegroei naar mijn dood. 

Misschien is dat ook wel een vorm van bewustzijn, maar dan collectief en ontdaan van alle ego. Een soort ‘deel van God zijn’. Een Godbewustzijn van binnenuit God. Omdat ik zelf God geworden ben. Dan helemaal God geworden ben: ik was altijd al God maar nu, verlost van mijzelf, ben ik alleen maar en volkomen God.    

Wat er opmerkelijk aan is, is de onmiskenbare aanwezigheid en nabijheid van gestorven geliefden. Maar hun verschijning is niet gebonden aan hun concrete persoonlijkheid zoals ik mij die herinner. Meer een tot pure liefde getransformeerde aanwezigheid. Het is een bevinding die ook in het boek van Ineke Visser ruimschoots aan de orde komt in de verhalen van stervenden.   

Het zou dan een dimensie betreffen waarvoor ons in het gewone leven het instrumentarium  ontbreekt. Misschien is het wel een psychologisch vermogen dat niet wordt aangeboord in een situatie waarin wij het niet nodig hebben, maar dat zich in de overgang naar de dood aandient. 

Het lijkt in deze fase wel of ik door die onzichtbare wereld, waarin zoveel gestorven geliefden zich bevinden, word ingesponnen. 

Of ik er langzaam in word opgenomen. 

Thuiskomst

Hoe zie ik mijn – vermoedelijk nabije – toekomst? Als de kuren echt stoppen en ik mij moet overgeven aan de dood? Wat gaat er met mij gebeuren? En ooit met u, lieve lezer? Wat ga ik tegen de kinderen en vooral ook de kleinkinderen zeggen in het uur van mijn dood?

Ik kom thuis in de wereld van licht.  

Verklaren kan ik het niet en iemand ervan overtuigen kan ik evenmin, maar er is een vreemd soort ‘zeker weten’ in mij dat wij voorbij de dood ergens thuiskomen. Het zal een thuiskomen zijn dat ons vertrouwd voorkomt, omdat we dit thuis al heel ons leven met ons meedragen in de gestalte van herinnering en heimwee. We komen eruit voort en het is onze bestemming. 

Mijn hele leven ben ik onderweg geweest naar huis en tegelijk vond ik het overal om mij heen. In het prachtige licht van elke morgen, in de glanzende ogen van dieren, in de onbestaanbare zachtheid en  toewijding van mijn geliefde – ja, hoezeer ben ik in haar thuisgekomen.

Wim Jansen

Ons leven is de weg die wij gaan om thuis te komen. Het leven leidt ons en snoeit ons en transformeert ons tot wie wij mogen worden. Tot God. Dan is ons leven God en God ons leven, zoals ook Lev Tolstoj ontdekte rond zijn vijftigste: ‘God erkennen en leven zijn hetzelfde. God is wat het leven is. Wel dan! Leef, zoek God en er zal geen leven zonder Hem zijn’.

Dit is typisch een voorbeeld van het ontstaan van een inzicht gaandeweg het leven. Het leven zelf is mijn God en mijn God is het leven dat ik te leven heb. Alleen zo brengt God ons thuis. Tot voorbij de dood. 

Ik kom thuis in de wereld van licht.  

In mijn boek Telkens een lichtkring dieper duid ik het leven als een proces, een groei naar het zuivere licht aan het eind van de tunnel. Als ik terugkijk op mijn leven kan ik werkelijk niet anders dan het lezen als een leerschool. De meeste dingen worden ons pas aan het eind van ons leven duidelijk, toch? 

Levenslang is er sprake van groei. Dat kan niet voor niets zijn. Want groei, een weg, een leerschool, die moeten  ergens op uitkomen. Ergens thuiskomen. 

Ik kom thuis in de wereld van licht.   

Opgaan

Dit thuiskomen is ook een opgaan in… 

Hermann Hesse noemt dat transcenderen. Opgaan in het overstijgende. En opgaan betekent dat je ik verdwijnt en zich verliest in een nieuwe fase. Zoals in de bekende metafoor van het zaad, dat zich verliest – en dus ook werkelijk als ‘individu’ moet sterven en verdwijnen – om te worden getransformeerd in een gestalte die in niets meer herinnert aan de oude bestaansvorm. Nou ja, niet helemaal niets, alleen aan het DNA is het nog herkenbaar.  

Dat is mooi. Wij verdwijnen, maar wie wij in essentie zijn, namelijk God, is het continuüm. 

Ons ik is als een rivier. Uit het niets geboren, bestemd om eerst te groeien en zich breed en machtig te maken, om vervolgens uit te stromen in de oceaan, zich te vermengen met al dat andere water en daarin op te gaan. Maar wat blijft is haar diepste identiteit: H2O.

Zo herinner ik me drie momenten aan de Rhône. We zagen haar in een onvergetelijke wintervakantie als een donker, snelstromend lintje in de sneeuw, hoog in de Zwitserse bergen. We moesten toen denken aan onze eerdere bezoeken aan Avignon en Arles, hoe breed en koninklijk ze daar doorheen vloeit in glinsterende draaikolken. En hoe we haar later terugzagen als delta in de Camargue, zich uiteindelijk verliezend in de Middellandse Zee. Niet meer herkenbaar als Rhône, alleen als H2O.  

Zo zal het zijn. Het is een heerlijk beeld om je te binnen te brengen en erop te mediteren in het denken aan je eigen opgaan in… je DNA, je H2O: LIEFDE. 

‘Opgaan in’ betekent zelfverlies. Dat wordt over het algemeen als pijnlijk en als strijd beschreven, maar ik ervaar het als verrukkelijk. In het gedicht Oever, in Zingen aan de Styx, heb ik die wonderlijke ervaring uitgedrukt van het ‘loslaten van jezelf’ zoals Meister Eckhart het zei. 

Laat de beelden tot je doordringen. Voel aan den lijve hoe je jezelf achterlaat, hoe je wordt bevrijd van jezelf. En open je voor de vreemde weldadigheid die dat oplevert. 

Straks, 
aan het einde van de weg,
bij de rivier

maak ik mij los
uit wie ik was

laat ik mij achter
op de oever
en verdwijn

en op het stille water daalt
een weldaad

ongeëvenaard

En hoe paradoxaal het ook klinkt in het besef van wie ik achterlaat en van hun verdriet, ik ga er steeds meer naar verlangen. Daar heb ik maar één verklaring voor. De wetenschap dat ik niet minder in hun midden zal zijn dan ik nu ben. Meer dan in mijn aardse bestaan zal mijn liefde om hen heen en in hen zijn.

Boekgegevens:
Wim Jansen, Verbijstering en verrukking – waartoe wij leven. VOLZIN, € 22,50

Geef een reactie