Marije Hage en Theo Hettema leerden elkaar kennen als student en docent. Na bijna twintig jaar sporadisch contact raken ze met elkaar in gesprek, wanneer Marije vertelt over een mystieke ervaring die haar is overkomen. Aangevuurd door deze vreugde van hun eigen ervaringen beginnen ze een briefwisseling. Daarin verkennen ze thema’s als overgave, vreugde en verlangen. Marije vertelt onbevangen over wat haar geraakt heeft en verdiept schrijvenderwijs haar inzicht. Theo vult aan met verhalen en woorden uit de christelijke, spirituele traditie, die voor hem betekenis hebben gekregen.

Ha Theo,

Dankjewel voor jouw prachtige mail.
Wat een rijkdom aan ervaringen. Ik zou wel over van alles met je door willen praten.

Wat mij in ieder geval treft, is de lichamelijkheid van onze ervaringen.
Jij, met jouw been. Dat gebroken been dat zo langzaam heelt en pijn doet.
En dan die genezende ervaring van het wegtrekken van de pijn.
Wat moet dat bijzonder zijn geweest.
De woorden die je schrijft over God die zegt: 'Het is goed hoor. Ik ben er al voordat jij komt,’ ontroeren mij. Ja, God onttrekt zich in ieder geval aan onze vooropgezette plannen!

Dat lichamelijke, dat een ervaring zo lijfelijk zich in of aan je voltrekt, herken ik wel.
Dat 'vallen', waarover we spraken, ervoer ik ook heel lijfelijk.
Niet alleen die vreugde die heel mijn lichaam vulde, maar ook letterlijk.
Ik had de ervaring dat mijn lichaam mijn ziel moést volgen.
Ik liet dat maar gebeuren. Zo kende ik mijzelf niet, maar het voelde eigenlijk niet vreemd.
Eerder precies goed.

De ervaring maakte dat ik wilde bidden. En ik was helemaal geen biddend mens.
Maar nu moest het.
Ik weet nog dat ik eerst een tijd in een stoel zat, met ogen dicht en handen gevouwen.
Maar ik voelde een verlangen om het anders te doen.
Te knielen, op zijn minst, liefst voor een kruis of een afbeelding.
Dit alles voltrok zich zonder dat ik mij afvroeg waarom. Ik deed het gewoon.
Ik pakte een kruis dat ik had gekregen bij mijn belijdenis, dat eigenlijk een beetje lag te verstoffen, en legde het voor me op de grond.
Ik knielde en sloot mijn ogen en werd letterlijk naar de grond gebracht.

Het enige wat ik in dat eerste gebed kon uitspreken, was de naam van Jezus.
Verder kwam ik niet. Ik moest huilen, dat overspoelde me en ik liet het maar gebeuren.
Toen brak zonlicht door.
Ik weet dat nog, omdat ik dacht: wat cliché – en daar ook weer om moest lachen.
Dat zonlicht verdween ook weer na een tijdje; geen idee hoe lang ik daar op mijn knieën had gezeten.
Daarmee kwam dat eerste gebed tot een afsluiting.

Ik moet hierbij denken aan hoe de Engelse taal zo treffend beschrijft hoe verliefdheid kan voelen: ‘to fall in love’.
Dat raakt aan de ervaring. Je valt in de liefde. Letterlijk.
Wat er dan wat mij betreft bij dat vallen hoort, is dus ook een breken.
Ik ervoer in ieder geval in het vallen een opengebroken worden.
Niet gewelddadig, maar genadig. Als een uitnodiging.

Een breken met wie je bent misschien, of nee, zo heb ik het eigenlijk niet ervaren.
Ik werd of word misschien wel steeds dieper mijzelf.
In ieder geval, het was sowieso een breken met hoe ik de dingen deed.
Hoe ik de dingen aanvloog, vanuit mijn eigen ideeën en plannen.
Dat werd mij meteen wel duidelijk.

In die zin is het breken een uitnodiging tot overgave.
Het raakt aan het Bijbelcitaat van Paulus dat jij aanhaalt.

Je merkt terecht mijn terughoudendheid in het schrijven over de ervaring op.
Dat komt deels inderdaad door de grenzen van de taal.
Maar misschien ook wel omdat ik van de ervaring zelf niet een gouden kalf wil maken.
‘If you meet the Buddha on the road, kill him,’ nietwaar?
Daarmee bedoel ik: het is voor mij heilzamer om de weg te gaan lopen die vanuit die ervaring is ontstaan.
Consistent, integer, authentiek en met overgave.
Dat betekent niet dat ik niet intens dankbaar ben voor de ervaring!
Dat staat buiten kijf.
Het is een onverwacht, overrompelend, prachtig en genadevol cadeau.
Overigens schrijf ik steeds 'de ervaring', maar het waren wel een paar weken vol ervaringen in die eerste tijd, en de weg van daaruit die ik nu ga is heel organisch ontstaan.

Een belangrijk deel van die weg is gebed.
Zoals ik je al schreef, was ik totaal geen biddend mens, behalve mijn professionele gebeden (die ook echt waren in wie en hoe ik toen was) in vieringen.
Jij schrijft aan het einde over het Jezusgebed, over de waarde daarvan en ik was wel benieuwd wat je daarmee wilde zeggen.
Ik kan mij ook nog herinneren dat jij mij in eerste instantie het Jezusgebed afraadde.
Vind je het geen passend gebed voor beginnende bidders?

Vertel maar wat je wil vertellen, alle vrijheid.
Misschien liggen er ook nog andere dingen die eerst gedeeld willen worden?

In Christus verbonden,
Marije

Hallo Marije,

Dank je wel voor je mooie en persoonlijke e-mail. Ik bleef een tijd hangen bij de zin die je schrijft: ‘Ik had de ervaring dat mijn lichaam mijn ziel móest volgen.’ Mijn gevoel volgen, luisteren naar de signalen van mijn lichaam: het is al heel wat als me dat, als denkend mens met een groot hoofd, lukt. Terwijl het misschien wel mijn diepste natuur is dat mijn lichaam niet mijn denken of mijn gevoel volgt, maar mijn ziel, dat wat ik zielsdiep ontvang aan vervulling, vreugde, aangeraakt zijn.

En dan is vallen en opengebroken worden niet iets onnatuurlijks, maar juist waar mijn lijf voor bedoeld is. Met dan wel uiteraard het opengebroken worden in een niet-gewelddadige zin, meer als het ontdaan worden van patronen, harnassen die ik mezelf heb opgelegd. Geloven, of zelfs heel pregnant ‘bekeerd worden', is dan dat je toelaat dat je lijf je ziel volgt, een ziel die is aangelegd op God. Dat betekent inderdaad een breken met hoe je de dingen deed, intentioneel, vanuit jouw ideeën en plannen.

Een uitnodiging tot overgave. ‘To fall in love’ is daar ook zo treffend bij, als een duik in iets wat je nog nooit zo hebt meegemaakt en wat in je hele lijf doorwoelt. Ja, ik herhaal allerlei woorden en zinnen uit wat jij schreef met diepe instemming.

Jezus heeft het over God liefhebben met heel je hart, ziel en verstand (Matteüs 22,37). Ik zie dan het verstand als dat wat ik ten diepste denk en wil, het hart als dat wat ik ten diepste voel en mijn ziel als dat wat God ten diepste in mij gelegd heeft (‘zielsdiep’). Het is al zo moeilijk om verstand en lijf bij elkaar te krijgen, of gevoel en lichaam. Hoe moeilijk is het dan wel niet om lijf en ziel bij elkaar te krijgen! Dat mijn lijf in sync is met de weg van mijn ziel. Dat is voor mij de kern van geloven.

Voor mijzelf noem ik mijn geloven ‘wandelen met God’, omdat ‘wandelen’ iets prettigs heeft van een rustig kuieren en je laten leiden door wat er gebeurt, zonder te grootse vooropgezette doelen, terwijl er wel een richting in zit.

Wat me raakt in wat je schrijft, is hoe de naam van Jezus bij jou opkomt. Het is zo mooi en natuurlijk, al beaam ik dat er ook andere wegen zijn om zielsdiep op God afgestemd te zijn.

Jij vroeg of ik iets wilde vertellen over mijn leven met het Jezusgebed. Dat wil ik graag doen, in aansluiting op jouw gebed ‘Jezus’, op je knieën bij het kruis, dat ooit aan jou gegeven was en nu op een nieuwe manier bij jou kwam.

Het Jezusgebed bestaat in het herhaald bidden van het woord ‘Jezus’. Dat is het eigenlijk.

Het Jezusgebed is ontstaan in een traditie van monniken die zich terugtrokken in onherbergzaam gebied, rotsen en kloven, in de woestijn van Afrika, om daar een devotioneel leven te leiden. Wanneer je helemaal op jezelf bent teruggeworpen in barre omstandigheden, komen er allerlei beelden en wanen als demonische krachten in je op. Hun geestelijk leven werd gevormd en verdiept door het omgaan daarmee. Daarin werden ze begeleid door hun biechtvaders, die aan hen eenvoudige spreuken opgaven, Bijbelteksten of korte gebedsteksten. De monniken waren misschien ook ongeletterd en als er al gebedsboeken en bijbels waren, waren die zeker niet beschikbaar voor hun privégebruik. Een kort gebed dat je uit je hoofd kunt leren was dan het stevigste anker voor hun leven.

We weten niet precies wat de vroegere woestijnmonniken baden en in de latere tradities komen we het Jezusgebed in allerlei vormen tegen. In de meest uitgebreide vorm is het Jezusgebed: ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij, zondaar.’ Ik zie vaak een iets kortere vorm: ‘Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij.’ Of nog korter: ‘Jezus Christus.’ Of op zijn kortst: ‘Jezus.’

Grote leermeesters in het contemplatief gebed als John Main en Thomas Keating gingen ook andere woorden gebruiken, synoniemen voor Jezus (Vriend, Gezalfde), of een woord als ‘maranatha’ (kom, Heer). Maar ik vind het zelf fijn om niet een woord te bidden, maar een naam. En dan is ‘Jezus’ voor mij het meest direct.

Het is fijn om dat gebed, in het ene woord ‘Jezus’ of in de volledige vorm, al herhalend te bidden door de dag heen. Dat doe ik een half uurtje aan het begin van de dag, maar ook bij allerlei bezigheden door de dag heen.

Op dat punt lag wel mijn aarzeling om jou het Jezusgebed aan te bevelen toen we daar een keer (voor de zomer?) over spraken. Want de naam Jezus kan gemakkelijk een mantra worden die je gedachteloos en mechanisch herhaalt, vanuit een soort meditatieve flow. Het wordt dan meer een op jezelf gerichte meditatie. Daar is niets mis mee, maar het mist dan een dimensie.

Wanneer mijn gedachten bij een meditatie afdwalen, kan ik de naam Jezus of de gebedszin gebruiken om mij weer bij de les te krijgen. Maar dan wordt de naam Jezus of de gebedszin bijna een soort strafmaatregel, een vermanende aanspraak aan mijzelf om bij de les te blijven, alsof ik iets uit mijn handen laat glippen en dan ‘sh*t’ mompel. Daar vind ik de naam Jezus te kostbaar voor.

Dat is uiteindelijk ook niet de bedoeling van dat bidden van de naam ‘Jezus’. Van Thomas Keating leerde ik: het bidden van die naam is een teken van jouw instemming met Gods aanwezigheid die al in jou is. Een be-amen van Gods tegenwoordigheid dus. Ik kan allerlei gevoelens krijgen tijdens het bidden (van emoties tot een kriebel aan mijn neus), of er komen allerlei gedachten op, beelden of reflecties op wat ik aan het doen ben. Die hoef ik niet weg te drukken. Maar ik kan ze voor een moment liefdevol begroeten, waarnemen en vervolgens parkeren. En dan de naam Jezus bidden om te beamen dat ik me weer wend tot Gods aanwezigheid. Dat vind ik mooi en dan gaat het vermanende eraf.

In een lezing over bidden heb ik weleens gezegd dat de grondvorm van het gebed voor mij het gebed van de jonge profeet Samuël in het heiligdom is. Hij weet niets van God of het goddelijke, maar hij hoort een stem en leert dan dat hij alleen maar hoeft te zeggen: ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert’ (1 Samuël 3, 9-10).

Dat is het toch?! Mijn bidden is ten diepste geen vragen, maar een gebaar van openstellen, zo van:

God,
midden in wat ik doe,
of midden in de tijd die verstilt in mij,
midden in wat mij raakt,
in mijn meeleven met iemand,
laat ik uw aanwezigheid toe.

Hartelijke groet,
Theo

Marije Hage (1982) is beeldend kunstenaar en predikant. Ze werkte mee aan diverse podcasts, televisieprogramma’s en schrijft columns, onder andere in Volzin magazine.
Theo Hettema (1965) is kerkelijk beleidsmedewerker, supervisor en freelance theoloog. Voorheen werkte hij als gemeentepredikant en als universitair docent theologie.

Het boek Ik roep Je naam - Brieven over mystieke ervaringen is bestellen via de VOLZIN webwinkel.

Geef een reactie