
“We hoeven het er vandaag verder niet over te hebben, maar ik wil dat je het weet. Je moet je voorbereiden op de dood. Je moet altijd ’s avonds voor het slapen gaan vragen of de Heere je zonden wil vergeven en je een nieuw hartje wil geven. Zul je dat doen?” Het zijn indrukwekkende woorden in haar boek. Al sinds haar kleutertijd hoorde Reintje Stomphorst regelmatig van haar moeder dat zij als klein meisje jong zou sterven. Ze mocht dat met niemand delen. Een waarheid die puur was gebaseerd op de ervaringen van haar moeder door een kraambedpsychose. “Het sloop erin dat ik me niet gewenst voelde. Toen bijvoorbeeld op m’n achtste mijn oma stierf, meende ik aan mijn moeders ogen te zien dat de verkeerde was doodgegaan.”
Stomphorst groeide op in een reformatorisch milieu. Ze moest de kerk van haar jeugd verlaten en Nederlands Hervormd worden om theologie te kunnen studeren en gemeentepredikant te kunnen worden. Dat werd ze, in de Protestantse Kerk. Ook deed ze baanbrekend werk als interim-predikant. Daarna werd ze één van de initiatiefnemers van het Klooster in de Cloud en de getijdengemeenschap De Binnenkamer.
Ziekte en dood waren voor haar nooit ver weg. Ze onderging negen kaakoperaties, kampte met een steeds terugkerende darmziekte, kreeg later een hersentumor die werd verwijderd, en ook borstkanker die steeds weer terugkeerde. Samen met haar man Heijmert verloor ze, tussen alle ziektes door, één van hun drie dochters: Janneke, die als baby van ruim drie maanden overleed aan zuigelingenkanker. En later verloor ze een heel goede vriendin die – toevallig – ook Janneke heette.
Tegelijk kon en kan Stomphorst volop genieten. Ze liet het er niet bij zitten, ging studeren en werken, maakte lange wandelingen alleen of met anderen, en koos en kiest vol overgave voor het leven samen met haar man Heijmert. Ze is inmiddels niet alleen een trotse moeder van twee volwassen dochters, maar ook een trotse oma.
Omdat haar eigen levenseinde steeds dichterbij komt, schreef ze afgelopen jaren haar bijzondere levensverhaal op in Voor de dood geboren dat eind september uitkomt. Dat schrijven deed ze met liefde en een zekere mildheid - en ook met humor en zelfspot. Haar pittige en soms verbijsterende ervaringen komen binnen. Tegelijk wordt de lezer deelgenoot van verwondering, hoop en vertrouwen.

Het lijkt me vreselijk om als kind van je moeder te horen dat je gaat sterven. Hoe kijk je hierop terug?
“Er was een gezond deel van mijn moeder en een ziek deel. Mijn moeder is nog niet zo heel lang geleden overleden en we hebben er ook samen nog gesprekken over kunnen voeren. Dat heeft me uiteindelijk wel geholpen, zoals eerder ook therapie dat heeft gedaan. Dat mijn moeder had gezegd dat ik er met niemand over mocht praten, was het meest ingewikkelde. Vooral dat nam ik haar kwalijk. Dat dit allemaal zo gebeurd was, hing ook samen met haar eigen religieuze achtergrond en opvattingen. Dat leidde ertoe dat ik later zelf huiverig werd voor religieuze ervaringen. Ik moet vooral niet iets met God willen, dacht ik. Je zult dezelfde genen maar hebben.”
Past jouw boek in het genre van verhalen over afscheid nemen van een strenge religieuze opvoeding?
“Ja en nee. Nee, in de zin dat ik aan mijn religieuze achtergrond geen trauma’s heb overgehouden. Rond mijn zevende heb ik zelf ook een religieuze ervaring gehad. Ik zat als kind buiten alleen op een muurtje. Ik haalde diep adem en blies heel langzaam uit. Even was er niets. Ik had iets ontdekt. Dat er een binnen en een buiten is. Een binnen waar het licht is en daar is God. Dat is van God, of is God zelf. Ik wist dat niet precies. In elk geval gaf het me kracht tegenover mijn moeder van: ik weet iets over God wat jij niet weet.
De pit is bewaard gebleven en dat is, denk ik, de kracht van een spirituele ervaring. Het gaat niet om uiterlijkheden en een meetlat met de focus op zondagsrust en seksuele moraal zoals in reformatorische kring. Ik kan twijfelen tot op de bodem, maar op de bodem ervaar ik iets van ‘en tóch’. Ik beschouw mezelf als bevindelijk vrijzinnig.
Toen ik coach werd voor mensen met een reformatorische achtergrond, stelde ik altijd drie vragen: Wat is van waarde en wil je vasthouden en meenemen? Wat is ballast waar je van af wilt? En wat heb je niet meegekregen wat je juist wilt toevoegen? Tja, voor mezelf geldt dat ik pas op mijn zestiende voor het eerst van The Beatles hoorde en iets over een kast waar je uit kon komen.”
Je hebt in je leven heel vaak moeten wachten, wachten en nog eens wachten. Op uitslagen, op artsen enzovoort. Wat doet dit met een mens?
“Ik ben dankbaar voor de goede medische zorg maar heb het in ziekenhuizen natuurlijk vaak ook moeilijk gehad. Vooral toen we onze Janneke moesten loslaten. De geur van het ziekenhuis, daar kan ik niet goed tegen. Later las ik het boek Wachten op God van Simone Weil. Het maakte grote indruk op me. In ziekenhuizen kun je eindeloos wachten. Wachten op een afspraak, op onderzoeken, op uitslagen, op behandelingen, of behandelingen aanslaan, op controles en voor je het weet begint het weer van voor af aan. ‘Ik heb wel wat beters te doen dan wachten’, verzuchtte ik soms in het ziekenhuis. Een keer liep ik terug naar de wachtkamer. Ik ging zitten en legde mijn handen in mijn schoot. Wachten op God, dat bleek ook daar heel goed te kunnen. Ik zat, zoals ik ooit op dat muurtje bij school zat. Tijdens de scan die even later volgde, lag ik stil te wachten op God.”
'Leven, hoe doe je dat?' heet het derde deel van je boek. Wie of wat heeft jou dat uiteindelijk het beste geleerd?
“Dat Janneke doodging, liet me zien hoeveel ik van haar hield. Dat vergrootte ook de dankbaarheid voor Martine, haar tweelingzus. En voor Ariena, die drie jaar later geboren werd. Toen ik enkele jaren predikant was, was er weer een bijzondere ervaring. Een enorme donderslag schrok me op uit de slaap. Onmiddellijk hoorde ik twee deuren in het huis opengaan en voetstapjes trippelen over het zeil van de overloop. Daar zal je de meisjes hebben, ook wakker geworden van de klap, dacht ik. Ik lag alleen in het tweepersoonsbed in de pastorie in Weerselo. Heijmert en ik hadden toen een latrelatie dus hij was er niet alle nachten. Daar lag ik met Martine en Ariena. Een hoosbui kletterde tegen de ramen. Aan de regelmatige ademhaling hoorde ik dat beide meisjes in slaap gevallen waren. De bliksem verlichtte de kamer, maar ze sliepen er doorheen.
Ik voelde me warm worden van geluk. Hoe bestond het dat ze in slaap gevallen waren? Was dat alleen omdat ze bij mij waren? Het drong tot me door: het kan niet anders of ze voelden zich veilig genoeg. Ik dankte God voor de meisjes en dat ik hun moeder mocht zijn. Ik kon niet slapen van geluk. Het was zo dubbel, blij aan de ene kant maar ook zo verdrietig om Janneke. Zoals ik dit ook in mijn boek schrijf: ‘Zoals mijn dochters bij mij zijn, ben ik bij God. Hij kan de ellende uit de wereld niet wegnemen en lost mijn problemen niet op. We zijn mensen met allemaal laagjes maar onder al die laagjes is Hij er. En dat geeft me het vertrouwen om het leven aan te kunnen’.”

Met veel plezier heb je je werk als (interim-)predikant gedaan, schrijf je in je boek. Wat waren hoogtepunten?
“Als gemeentepredikant mocht ik dichtbij mensen staan en met hen optrekken, juist ook op momenten van angst of verdriet. Dat gaf voldoening. Van de jaren als interim-predikant heb ik genoten. Ik werkte vaak in gemeenten waar ruzies waren. Soms waren collega’s en gemeenteleden verbaasd dat ik daar zoveel voldoening aan beleefde, maar in ruzie zit energie en als je de energie anders kan richten gebeuren er mooie dingen. Alles is beter dan onverschilligheid! Tegelijk is het natuurlijk waar dat mensen lijden aan ruzie. Hoe willen we eigenlijk met elkaar omgaan? En wat weerhoud je ervan dit te gaan doen? Mag het misschien ook weer over God gaan? Als kerken zitten we in een krimpperiode. Dan gaat het niet alleen om saneren en beheersen. Iets of iemand moet sterven, om weer te kunnen opstaan.
Met het Klooster in de Cloud en getijdengemeenschap De Binnenkamer had ik een nieuwe uitdaging. Ik voelde de steun van collega’s en mijn leidinggevende en ik was blij dat ik bij wijze van re-integratietraject de ideeën mocht uitwerken. We hebben in die twee jaar heel wat voor elkaar gekregen. En het gaat door.”
Hoe ben je op dit idee van Klooster in de Cloud gekomen en hoe staat het er nu mee?
“Als dominee verlangde ik naar een nieuwe plek of een nieuwe gewoonte om zelf inspiratie op te doen. Ooit had ik bedacht dat ik non geworden zou zijn als ik in een rooms wiegje gelegen had. Maar van welke orde dan? Ik begon kloosterregels te vergelijken. Gaandeweg ontdekte ik dat wat bij ons bevindelijkheid heette in de Rooms-Katholieke Kerk mystiek genoemd werd. Er ging een wereld vol inspiratie voor me open. Ik las boeken over gebed en spiritualiteit en ontdekte Teresa van Avila.
Op donderdag, als de kinderen overbleven op school, sloot ik aan bij het middaggebed van de karmelietessen in Zenderen. Er kwam een brevier voor thuis maar van consequent de getijden bidden in mijn eigen huis kwam het nooit. Toch ontwikkelde zich gaandeweg een nieuwe gewoonte. De woensdagavond hield ik vrij om stil te zijn. Vaak las ik een mystieke tekst, soms luisterde ik muziek, of bad een avondgebed. Mijn verlangen had een vorm gevonden.
Mensen die ook zo’n verlangen hebben en een zoektocht naar de vorm beginnen, wilde ik graag binnen het Klooster in de Cloud ondersteunen. Heijmert en ik waren al vroeg vertrouwd met internet en hier zagen we kansen om mensen met elkaar te verbinden. In mijn gedachte zag ik een online kapel voor me, die voor iedereen toegankelijk is, met daarnaast een virtueel klooster, met ontvangstruimte, chatmogelijkheid met een gastenpater m/v, een bibliotheek en thuisretraites.
Een oud-medestudent kwam preken op ons dorp. Het werd een hartelijk weerzien. Heijmert en ik lichtten hem in over het plan. Hij zag er wel wat in, stelde goede vragen en dacht mee over de implementatie. En zo begon het balletje te rollen. Het is inmiddels een bloeiende gemeenschap met een rijk aanbod aan retraites en mogelijkheden voor online ontmoeting. En ook treffen mensen elkaar fysiek bij regiobijeenkomsten en de jaarlijkse ontmoetingsdag.”
In je boek gaat het meerdere keren over euthanasie. Hoe kijk je naar het debat hierover in Nederland?
“Het debat erover is zo platgeslagen. Zelfbeschikking staat centraal. Maar een arts moet wel opdraven om iemands laatste wil uit te voeren. Besef: je leeft altijd in verbondenheid met anderen. Hoe neem je mensen mee in je afweging? Van de mensen die wapperen met een euthanasieverklaring, gebruikt naar mijn inschatting één op de tien hem uiteindelijk. Ik ben zeker niet tegen euthanasie. Maar doe vooral recht aan het proces van sterven en afscheid nemen.”
Voor wie heb je het boek geschreven?
“Het leven moet volgens velen maakbaar zijn en beter worden. Een succes. Maar voor veel mensen is dat niet zo. Ik schreef het voor de mensen die op de terugweg zijn, want soms is het hoogtepunt voorbij. Er is nog zoveel zinvols als het leven spaak loopt. Ik houd van het begrip ‘lijdensmoed’ zoals de bekende karmeliet Titus Brandsma het noemde. Dat kun je ook breder trekken naar de maatschappij. Kijk naar het klimaat en oorlogen. Waar zit onze veerkracht? Uit welke bron putten we?”
Boekgegevens:
Reintje Stomphorst, Voor de dood geboren. VOLZIN, 256 blz., € 22,50.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.