Dit artikel is een (bewerking) van Levy's essay voor het boek Sporen van onderdrukking, bevrijding en herschepping in Exodus 1-3 - Een muzisch-existentiële benadering van tien Bijbelse bronverhalen, te bestellen via de VOLZIN webwinkel.

In het VPRO-programma Zomergasten (10-8-2025) vertelde de in Johannesburg geboren auteur Simon Kuper hoe hij als 20-jarige in 1990 de afschaffing van de apartheid meemaakte. Hij beschreef het onvergetelijke optimisme dat hij toen voelde. Drie maanden daarvoor was de Berlijnse Muur gevallen. Dat optimisme had hem gevormd: het gevoel dat alle maatschappelijke problemen opgelost konden worden.

Nu schrijft hij over de onheilspellende tijden in de Financial Times. In de jaren tachtig hadden we één Apocalyps waar je wakker van lag: de nucleaire Apocalyps. Nu zijn er drie bijgekomen, aldus Kuper. Hij noemde de AI-apocalyps, de ziekte-apocalyps (pandemieën) en tenslotte de klimaatapocalyps. Het fragment dat hij daarop liet volgen was Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb, een komische film waarin de wereld ten onder gaat doordat een Amerikaanse president per ongeluk een mondiale kernoorlog tussen de Sovjet-Unie en de VS uitlokt.

Kuper vertelde dat hij door deze film kon omgaan met zijn angst voor een kernoorlog. Op de vraag of ironie als stijlmiddel juist geen afstand creëert en niet aanzet tot handelen, antwoordde hij dat kunst er niet is om de wereld te verbeteren, maar wel het hoogste is wat mensen kunnen doen: het mooiste dat we creëren, dat is waar we voor op aarde zijn.

In de kunsten, zoals literatuur, theater en beeldende kunst, wordt de kijker of lezer in staat gesteld om van perspectief te wisselen — een vermogen waardoor we niet alleen beter met onze eigen angsten om kunnen gaan, maar ook empathie kunnen voelen voor mensen die anders zijn dan wij. Een vergelijkbaar verschijnsel vinden we terug in de bronverhalen uit Exodus, waarin het perspectief van de onderdrukten en bevrijden centraal staat. Martha Nussbaum noemt dit vermogen tot het innemen van andermans positie ‘narratieve verbeelding’ — een fundamentele vaardigheid die ethisch bewustzijn en maatschappelijke betrokkenheid bevordert.

Kennen deze bronverhalen een onderbelichte onderstroom waar wij hoop voor nu uit kunnen putten, vanuit andere perspectieven dan het dominante politieke discours? Wat kunnen we hierbij leren van Freuds controversiële interpretatie in Mozes en het monotheïsme (1939), en de kritiek die daarop volgde? En hoe kunnen we vanuit deze lens een brug slaan naar de Rotterdamse culturele sector, met name hoe verhalen over bevrijding en waardigheid worden verteld in kunst, theater, educatie en erfgoed? Kunnen wij daarbij zoeken naar een benadering die de huidige identiteitspolitiek niet versterkt, maar omzeilt door terug te grijpen op een humanistische verbondsethiek – een  gemeenschappelijk verhaal over samenleven dat boven macht en slachtofferschap uitstijgt?

Exodus

De eerste drie hoofdstukken van Exodus openen met een verhaal van structurele onderdrukking en geweld. De farao, die het groeiende Hebreeuwse volk vreest, voert een beleid van repressie dat uiteindelijk uitmondt in infanticide — een extreme vorm van ontmenselijking. In deze context wordt Mozes geboren, verborgen en uiteindelijk geadopteerd in het Egyptische paleis. Zijn identiteit is hybride: Joods van geboorte, Egyptisch opgevoed. Zijn vlucht naar Midjan en zijn roeping bij de brandende doornstruik markeren een overgang van persoonlijke verwarring naar profetisch leiderschap.

De waardigheid van het volk Israël ligt in hun erkenning als mensen met een geschiedenis,
met lijden en met een toekomst.

Liesbeth Levy

Wat deze passages krachtig maakt, is dat vrijheid niet slechts politiek wordt opgevat, maar existentieel. De waardigheid van het volk Israël ligt in hun erkenning als mensen met een geschiedenis, met lijden en met een toekomst. God zegt: “Ik heb hun ellende gezien... en ben neergekomen om hen te bevrijden” (Ex. 3:7–8). Deze goddelijke interventie is een bevestiging van menselijke waardigheid als niet-onderhandelbare waarde. Tegelijkertijd is de roeping van Mozes een ethische oproep tot handelen — het verhaal verwerpt passiviteit.

Freud, Mozes en het monotheïsme

Tussen 1934 en 1938 schreef psychiater Sigmund Freud Der Mann Moses und die monotheïstische Religion. Drei Abhandlungen. Het woelige ontstaan van het werk, de onevenwichtige structuur, de mysterieuze inhoud en de vreemde plaats van publicatie (Amsterdam, 1939) doen vermoeden dat we te maken hebben met een van Freuds merkwaardigste werken.

Het meest bevreemdende aan het werk is de kwestie die Freud aan het begin aankondigt: Mozes, de grondlegger van het monotheïsme en wetgever van het jodendom, is volgens hem geen Jood maar een Egyptenaar, mogelijk een volgeling van Achnatons monotheïsme. Freuds centrale these — dat religieuze tradities het resultaat zijn van verdrongen herinneringen, psychische trauma’s en overgeërfde schuld — ontmythologiseert de nationale en religieuze identiteit van het Joodse volk. Zijn interpretatie van Mozes is provocatief: het godsbesef als morele abstractie komt niet “van binnenuit” het volk, maar van een externe figuur die in feite door hen werd vermoord, waarna zijn erfenis werd verdrongen.

De kritiek op Freud kwam van meerdere fronten. Theologen verweten hem reductionisme: het spirituele werd herleid tot psychisch residu. Historici verwierpen zijn speculatieve aannames over Achnaton. Joodse intellectuelen als Martin Buber en Emmanuel Levinas vonden zijn visie op de religieuze traditie ontrouw aan het dialogische, ethische karakter van de Bijbel. Tegelijkertijd blijft Freuds kernvraag — hoe vormt onderdrukking zich tot identiteit? — ook vandaag relevant.

De waarde van Freuds interpretatie ligt in zijn erkenning van het tragische in de culturele oorsprong. Identiteit is niet puur; ze is gevormd door breuken, geweld en trauma. Dit besef maakt ruimte voor interculturele solidariteit: alle gemeenschappen dragen littekens, en het delen van littekens kan een humanistische basis zijn voor verbinding. In die zin is Freuds ‘negatieve theologie’ een brug naar een interculturele ethiek: het gaat niet om het bezitten van de waarheid, maar om het erkennen van het gedeelde lijden dat het zoeken naar bevrijding voedt.

Van identiteitspolitiek naar verbondsethiek

Toen Freud stelde dat de erkenning van gedeeld lijden het zoeken naar bevrijding voedt, had hij niet kunnen bevroeden dat het slepende conflict in het Midden-Oosten, dat nu wordt uitgevochten in Gaza, aanleiding is geworden om het lijden van de één te gebruiken om dat van de ander te ontkennen.

Dit vindt zijn oorzaak in de grote morele verontwaardiging over het leed dat de Israëlische regering de Palestijnen in Gaza aandoet, maar deze morele verontwaardiging is helaas ook aanleiding tot uitspraken als: “De echte slachtoffers van de Holocaust zijn de Palestijnen.” De weg naar de erkenning van gedeeld lijden wordt bovendien politiek en ideologisch afgesloten door het intersectioneel marxisme.

Sinds 1989 heeft het academische begrip intersectionaliteit zijn intrede gedaan in het discours. Oorspronkelijk was het bedoeld om onbewuste manieren van uitsluiting, ook binnen progressieve emancipatoire bewegingen — in het bijzonder het feminisme — onder de aandacht te brengen (bijvoorbeeld kleurenblind feminisme). Sinds 2000 is het een thema geworden van een bredere, globalistische verzetsbeweging tegen kapitalisme, kolonialisme en racisme.

Met hun antikoloniale agenda richt de intersectionele beweging zich ook op de onderdrukking van Palestijnen, waarbij hun leed symbool is komen te staan voor de achterstelling en frustratie van moslims over wit Europa. In deze beweging worden Joden vaak gezien als een geprivilegieerde groep die een alleenrecht op slachtofferschap claimt, en Israël als een koloniale onderdrukker.

“Onze geschiedenis is onze kracht”, schrijft Gideon Frank Querido in zijn essay Hoe links ook Joden treft in de strijd tegen wit privilege (Vrij Nederland, 8 juni 2021). Van Civil Rights Movement tot anti-apartheidsbeweging en LHBT-strijd: veel kopstukken van emancipatiebewegingen waren Joods. “Dat was een tijd waarin solidariteit vanzelfsprekend was. (...) Dat links nu weigert voor ons op te komen voelt als verraad.”

Verbond

Het intersectioneel marxisme, dat ongelijkheid herleidt tot (koloniale) onderdrukkingsstructuren, heeft analytische waarde, maar loopt vaak stuk op het vraagstuk van transcendentie: wat overstijgt het conflict?

Het Bijbelse idee van het verbond (Hebr. berit) is hierin potentieel bevrijdend. Een verbond is geen contract, maar een morele toewijding tussen verschillende partijen om een gedeelde toekomst vorm te geven. In plaats van macht staat relatie centraal. In plaats van verschil als conflict te zien, wordt verschil een uitnodiging tot wederkerigheid. Exodus 3 is hierin cruciaal: God roept Mozes niet als supermens, maar als deel van een volk dat collectief geroepen wordt tot bevrijding én tot dienstbaarheid.

In de culturele sector van Rotterdam zijn er al ‘verbondspraktijken’ zichtbaar, ook al worden ze niet zo genoemd. Denk aan co-creatieprojecten waarin kunstenaars uit verschillende tradities samenwerken aan één verhaal, of aan buurtinitiatieven waarin zowel kerk, moskee als gemeenschapshuis participeren in stedelijke projecten rond armoede, ecologie of jongerenwerk. Hier wordt niet uitgegaan van gedeelde identiteit, maar van gedeeld belang, gedeeld verlangen, gedeelde hoop.

Exodus 1-3 kent een onderbelichte onderstroom die precies daarin haar kracht vindt: het is een verhaal over bevrijding dat begint in de stilte van lijden en eindigt in de roeping tot handelen. Het maakt ruimte voor wat Paul Ricoeur le surplus de sens noemt — de overtolligheid van betekenis die uitnodigt tot herinterpretatie. In een gepolariseerde wereld waar bezuinigd wordt op cultuur, tonnen worden uitgegeven aan defensie en waar politieke discoursen verharden, is dit surplus een antwoord op het menselijk tekort.

Rotterdam

Met meer dan 170 nationaliteiten is Rotterdam een stad waarin het ‘wij’ voortdurend opnieuw wordt uitgevonden. In wijken als Delfshaven, Feijenoord en Crooswijk zijn kunst, cultuur en religie nauw met elkaar verweven. Theatergroepen, verhalenfestivals, musea en educatieve instellingen nemen steeds vaker thema’s als slavernij, diaspora en spirituele bevrijding op in hun programma’s.

Initiatieven als Poetry Circle Rotterdam en Theater Zuidplein gebruiken Exodus-motieven (vlucht, bevrijding, roeping) om verhalen van migrantenjongeren een podium te bieden. Het Verhalenhuis Belvédère laat bewoners met diverse achtergronden hun ‘uittochtverhaal’ vertellen — van vlucht uit oorlogsgebied tot emancipatie in de stad.

De Rotterdamse praktijk laat zien dat verhalen van hoop niet naïef hoeven te zijn.

Liesbeth Levy

De Stichting Gedeeld Verleden Gezamenlijke Toekomst herdenkt het slavernijverleden niet geïsoleerd, maar verbindt dat aan een bredere zoektocht naar waardigheid. Dat gebeurt bijvoorbeeld in rondetafelgesprekken met jongeren, waarin Exodus en andere bevrijdingsverhalen uit de wereldliteratuur worden besproken. Hier ontstaat ruimte voor verschil én ontmoeting. In deze context functioneert Exodus als een verhaal dat telkens opnieuw kan worden ingevuld en getransformeerd.

De Rotterdamse praktijk laat zien dat verhalen van hoop niet naïef hoeven te zijn. Integendeel: ze zijn geworteld in pijn, maar zoeken boven het conflict uit naar een menselijk verbond.

Verhalenhuis

In Verhalenhuis Belvédère bezocht ik de bijzondere expositie Nha Moi/Nieuw (t) Huis over de Vietnamese gemeenschap in Rotterdam en Nederland. De tentoonstelling was gemaakt door twee jonge Nederlanders van Vietnamese afkomst, die de impact laten zien van het vluchtverleden van hun ouders.

Een van de twee mannen droeg een T-shirt met daarop Free Palestine. Ik sprak hem aan en vertelde dat ik als kleuter had meegelopen in de demonstraties tegen de oorlog in Vietnam, omdat mijn vader als arts in het Medisch Comité Vietnam had gezeten. De jonge man vond het bijzonder om dit te horen, en ik was ontroerd om hem dit te kunnen vertellen. “Ja,” zei hij, “mijn zoontje loopt nu mee tegen de oorlog in Gaza,” en hij wees naar zijn T-shirt. We begrepen elkaar — en toch ook weer niet — maar dat hoefde niet uitgesproken te worden, want voor even waren we van perspectief gewisseld.

Liesbeth Levy is filosoof en directeur bestuurder van Kenniscentrum Cultuuronderwijs Rotterdam. Dit artikel is een (bewerking) van haar artikel voor het boek Sporen van onderdrukking, bevrijding en herschepping in Exodus 1-3 - Een muzisch-existentiële benadering van tien Bijbelse bronverhalen. Het boek is in de VOLZIN webwinkel te bestellen.

Geef een reactie