
Waarom de dingen in ons leven gaan zoals ze gaan, daar kun je lang over piekeren, maar naar het echte antwoord kun je fluiten. Toch kun je flink last hebben van hoe het gaat. Dan helpt het om daar eens goed over te kunnen praten. Hoe kom je verder, wat kun je er zelf aan doen en wat heb je daarbij nodig?
Joost, 52, alleenwonend, is naar mij verwezen door het maatschappelijk werk. In een eerste gesprek maken we kennis. Ik leg hem uit wat mijn werk als geestelijk verzorger inhoudt, hij vertelt zijn verhaal en samen verkennen we een stuk van zijn levensweg dat hem nog altijd diep terneerdrukt.
Aan het begin van onze tweede gesprek schenkt hij thee voor ons in. Ik prijs het tuinboeket dat hij in een sierlijke vaas heeft geschikt. In elk geval een lichtpuntje, hoop ik. Om de overgang te maken en de aansluiting te zoeken vraag ik: “En, hoe gaat ’t sinds ons vorige gesprek?” Joost zet de theepot op tafel, gaat zitten, kijkt mij aan en antwoordt: “Dat is de moeilijkste vraag die je mij op dit ogenblik kunt stellen.” Afwachtend kijk ik hem aan. Maar meer komt er niet. Joost zwijgt en veegt met zijn hand langs zijn ogen. Lang blijft het stil. “Zo moeilijk?” vraag ik. Hij knikt. Pas na een poosje komt, aarzelend, ons gesprek op gang.
Vaak denken mensen dat hun leven vooral wordt bepaald door wat hun overkomt. De één heeft nu eenmaal geluk, de ander pech. Maar wie beter durft te kijken, kan zomaar een belangrijke ontdekking doen. Namelijk dat het er veel meer op aankomt hoe je omgaat met wat jou overkomt, met wat het leven, het lot of wat dan ook op jouw bordje legt.
Aan wat je overkomt kun je doorgaans weinig veranderen. Natuurlijk, je probeert zo goed mogelijk te leven. Verstandig eten en drinken, voldoende bewegen, goede balans tussen in- en ontspanning, en nog zo het één en ander. Maar enige garantie geeft dat niet. Ook door zo te leven krijg je het leven niet onder controle. Als je dat al zou willen, met alle stress die het je oplevert.
Accepteer dus maar liever de onvoorspelbaarheid van het leven. Daarmee gun je jezelf alvast de innerlijke ruimte voor wat je wél kunt. Zie onder ogen wat je overkomt. Loop er niet voor weg. Ga er bewust mee om. Probeer het te omarmen. Laat het een deel van je leven worden en verleen er zo zin en betekenis aan.
Ja hallo, dat is wel even makkelijker gezegd dan gedaan. Want dat vraagt nogal wat! Geen wonder dus dat een groot deel van mijn gesprekken als geestelijk verzorger precies daarover gaat.
Toen ik nog in een ziekenhuis werkte, ging het vaak over wat een ernstige ziekte met je leven doet. Hoe blijf je daarbij overeind? Hoe geef je zo’n volstrekt onverwachte en ongewenste indringer een plek in je leven? Hoe vind je daar je weg in, bijvoorbeeld door die indringer niet te ontkennen, maar ’m ook niet de baas over heel je leven te laten worden?
Inmiddels werk ik vanuit mijn eigen praktijk voor Geestelijke Verzorging Thuis. Ik zie mijn gesprekspartners worstelen met zo ongeveer alles wat een mens in het leven kan overkomen. Je partner, kind, ouder of naaste sterft. Of je hebt zelf nog maar kort te leven. Je kampt met een ernstige ziekte of handicap. Soms wil je niet meer leven. Je lijdt onder gevoelens van zinloosheid: waar leef ik eigenlijk (nog) voor? Of je voelt je overvraagd door alles tegelijk: druk gezin, veeleisende baan én inspannende mantelzorg voor één of meer familieleden.
In zulke gesprekken probeer ik, behoedzaam en stap voor stap, een dubbele focus aan te brengen. Eén: hoe kun je omgaan, (leren) leven met wat je overkomt? Hoe geef je dat de passende plek in je leven, niet te groot en niet te klein? En twee: uit welke bronnen kun je daarbij putten? Waar haal je de nodige energie, moed en veerkracht vandaan?
Dat is, in het kort, het soort zorg dat mijn collega’s en ik als professionele geestelijk verzorgers te bieden hebben. De essentie van ons werk wordt ook wel omschreven als hulp bij zingeving. Voor sommigen klinkt dat alsof het om iets abstracts zou gaan, iets in je hoofd, iets over denken of geloven. Terwijl zingeving juist altijd heel praktisch en concreet begint, bijvoorbeeld met waar je ’s morgens voor je bed uit komt. Misschien voor een bos bloemen in een vaas, zoals Joost.
Zingeving zit in de lucht, en in de lift. Steeds bewuster gaan mensen die ‘iets’ in hun leven missen op zoek naar zingeving. Media spelen op die groeiende behoefte in. Niks mis mee. Als het maar niet zoiets wordt als ‘zingeving verplicht’. Ooit werd je geacht een geloof te hebben en bij een kerk te horen. Gaat datzelfde nu voor zingeving gelden? Een soort van elfde gebod: gij zult zin geven? Nee, zo werkt het niet. Er zijn geen fabrieken die zin produceren en geen winkels die zin verkopen, ook al doen ze graag alsof.
Dus wees op je hoede voor wat reclamemakers en influencers als zingevend aanprijzen. Zin kun je niet maken, ook al dachten je ouders vroeger van wel (“Geen zin? Dan máák je maar zin”). Zin is enkel ‘om niet’ te vinden, te ontdekken, aan te treffen, te ondergaan, op de meest onverwachte plekken. Zin kan zelfs ervaren worden onder de zwaarste omstandigheden.
In de documentaire Forever van Heddy Honigmann over de Parijse begraafplaats Père Lachaise zegt een Iraanse man bij het graf van schrijver Sadegh Hedayat: “Hij heeft mijn leven zin gegeven.” En hij bedankt hem door het zingen van een lied. Dat zinnetje blijft hangen. Het nodigt me uit om voor mijzelf na te gaan wie zingevers in mijn leven zijn en mijn dank daarvoor uit te spreken.
Over die Iraanse zanger op Père Lachaise las ik bij Marjoleine de Vos. In haar boek En steeds is alles er. Over missen en herinneringen (2023) mijmert ze nog wat door over wat ‘zin’ eigenlijk is.
Met de zin van mijn leven is het net als met God: hoe meer woorden ik nodig heb om iets zinnigs te zeggen, hoe verder ik van huis raak. Zin laat zich niet definiëren, laat zich niet in een net van woorden of redeneringen vangen. Zin laat zich soms zomaar even ervaren als zonlicht op de natte bladeren schijnt en hoog in de lucht een tweetal buizerds miauwend rondcirkelt. Of als ik muziek hoor, of bij die ene regel uit een gedicht blijf hangen. Of bij een schilderij dat ik al heel lang heb, maar ineens met nieuwe ogen zie.
Zingeving is een fundamentele menselijke behoefte. Alles wat er in ons leven gebeurt, wat ons overkomt en waar we mee te maken krijgen, is van zichzelf betekenisneutraal. Er zit geen briefje bij waarop staat wat het betekent. Zin en betekenis krijgen gebeurtenissen en lotgevallen pas door wat mensen erbij ervaren. Dat kan vanzelfsprekende, impliciete zingeving zijn, zin in het alledaagse, maar ook meer expliciete zingeving op existentieel, spiritueel en levensbeschouwelijk niveau.
Zin, of juist het ontbreken daarvan, wordt expliciet ervaren wanneer door een onvoorziene of ingrijpende gebeurtenis die alledaagse, impliciete zingeving wegvalt of ernstig verstoord raakt. Bijvoorbeeld door ziekte, een ongeluk, ontslag, scheiding, verhuizing, een groot verlies. Dan dringen zich levensvragen op. Waarom overkomt mij dit? Wat betekent dit voor mijn leven? Hoe moet ik nu verder? Wie of wat zal mij daarbij helpen? En waar leef ik eigenlijk (nog) voor? Zingeving is als zuurstof: even onzichtbaar als onmisbaar. Bij gebrek eraan word je kortademig.
Geestelijke verzorging is een specifieke vorm van professionele zorgverlening die cliënten, patiënten, bewoners, burgers of hoe je ze ook noemt, begeleidt bij het leren vinden, ontdekken en ervaren van zin in hun leven. Eigenlijk jammer dat de klassieke beroepsaanduiding ‘zielzorger’ zo in onbruik is geraakt, ook al is goed uit te leggen hoe dat zo gekomen is.
Het begrip ‘zielzorg’ was al bij Plato en diens leermeester Socrates te vinden als noodzakelijke zorg voor de eigen binnenkant, maar later werd het door de kerk ingeperkt tot pastorale zorg voor de gelovigen. Toen er halverwege de twintigste eeuw in zorginstellingen, gevangenissen en de krijgsmacht behoefte ontstond aan een soort ‘zielzorg voor iedereen’, moest er dus wel een ‘neutrale’ term bedacht worden om het misverstand te voorkomen dat het hier om verkapte kerkelijke zorg zou gaan.
In onze westerse cultuur is mét de christelijke visie op de ziel heel het begrip ‘ziel’ als zodanig verdacht geworden. Onze samenleving lijdt aan publieke ‘zielsverlegenheid’ en daar wordt ze niet beter door. Je kunt het begrip ‘ziel’ wel verdonkeremanen, maar dat gaat je echt niet lukken met alles waar ‘ziel’ voor staat en op slaat. En al helemaal niet met waar de ziel zo diep naar verlangt.
Theoloog en zorgethicus Carlo Leget vroeg aan een schouwburgzaal vol studenten: “Wie van jullie weet zeker dat-ie geen ziel heeft?” Aarzelend gaan er in de zaal een paar vingers omhoog. “Wie weet zeker van wél?” Opnieuw een paar vingers. “Wie zegt: ik weet ’t niet?” Nu gaan de meeste vingers omhoog.
Nog niet zo lang geleden, legt Leget de studenten uit, zouden mensen verbaasd gereageerd hebben op zulke vragen. “Natúúrlijk hebben wij een ziel”, zouden ze gezegd hebben, “dat spreekt toch vanzelf?” Maar die vanzelfsprekendheid heeft plaatsgemaakt voor verlegenheid, soms zelfs een zekere gêne. Heeft dat te maken met de onzichtbaarheid en onbewijsbaarheid van de ziel?
Sectie op het menselijk lichaam levert niets op: er valt niets van een ziel te bespeuren. Dat geldt ook voor de meest geavanceerde scans en fMRI’s van het brein. Voor menigeen is dan de conclusie snel getrokken: wat (natuur)wetenschappelijk niet aantoonbaar is, zal ook wel niet bestaan.
God en de ziel delen wat dat betreft eenzelfde lot. Beiden waren eeuwenlang net zo vanzelfsprekend als het opgaan van de zon. Maar inmiddels is zowel God als de ziel voor de meeste mensen een keuzeoptie geworden. Je kunt die begrippen desgewenst aankruisen op je persoonlijke keuzemenu, maar ze zijn, althans in de westerse samenleving, zoiets als een verouderde Windows-versie geworden. Ze worden niet langer ondersteund. In plaats daarvan worden ze als keuzeopties overgelaten aan ieders persoonlijke mening, ook wel ‘geloof’ genoemd.
Maar er gloort hoop. Want in ons taalgebruik blijkt de ziel niet stuk te krijgen. Ogen gelden nog steeds als spiegels van de ziel (waar die ook mag zitten). Als iets je door de ziel snijdt, of als iemand op je ziel trapt, dan doet dat echt niet alleen maar metaforisch pijn. Mensen die zielsveel van elkaar houden, ervaren vaak ook iets van zielsverwantschap. Dan is er sprake van twee zielen, één gedachte. Zielsgelukkig word ik van mensen die zich met hart en ziel voor de goede zaak inzetten, maar mijn ziel wordt bedroefd als ik zie hoe mensen hun ziel aan de duivel verkopen. Soms kan een mens zich moederziel alleen voelen. Dan loop je met je ziel onder de arm. Tenzij je eelt op je ziel hebt. En bij een bezielde spreker zul je niet gauw in slaap vallen.
Ziel, zorg en zin: voor mij worden het steeds meer de drie poten onder geestelijke verzorging, de professie-in-ontwikkeling die niet gebonden is aan enige kerk en die mij zo na aan het hart ligt. Een goed gesprek kan soms zomaar op gang komen door zo’n schijnbaar eenvoudige vraag: “Hoe is het met u?”
Henk Veltkamp is geestelijk verzorger. Met zijn Praktijk voor Levensvragen is hij aangesloten bij het Centrum voor Levensvragen voor Midden-en Oost-Brabant en de Bommelerwaard: zie levensvragengesprek.nl.
Boekinformatie:
Henk Veltkamp, Het verborgene tevoorschijn luisteren. Geestelijke verzorging met een open mind, Uitgeverij VOLZIN, 288 blz. Prijs: €22,50. Het boek is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.
Dit artikel is te lezen in Volzin magazine, editie mei 2026. Het nummer is te bestellen via de VOLZIN webwinkel.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.