Dit artikel is een publicatie uit het boek De pijn zingen, hoe ons pad steeds lichter werd en alles begon te verdwijnen. Bestellen kan via deze link.

In de lenteperiode bezoek ik met vriendin Kathy het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Ik ben er in geen jaren geweest en kijk uit naar de vitrines met eindeloze rijen opgeprikte kevers in allerlei maten, hun zeegroene dekschilden die, afhankelijk van de lichtinval, als zeepbellen van kleur veranderen; naar het weerzien met de opgezette onager, de Perzische wilde ezel. De opstelling van de collectie blijkt echter veranderd te zijn. Het is er braver geworden, het accent ligt nu op educatie. De wonderlijke, ontroerende wezens op sterk water, de niet levensvatbare foetussen, misgeboorten, wanschepsels, zijn uit het zicht verdwenen. De capibara, een reusachtige marmot, bij Japanners geliefd als huisdier, heeft het bij de tijd brengen gelukkig overleefd. Ooit zag ik een filmpje waarin een man en een capibara samen zaten te mijmeren aan de waterkant. En een van een wetenschapper die dromen van octopussen bestudeerde. Hij had een aquarium in zijn woonkamer en leidde uit de wisselende kleurpatronen van zijn slapende octo af of hij jacht maakte of zich in camouflage verborg voor een vijand.

Walvis

Het skelet van een potvis in de etalage van het museum, gestrand in Kijkduin in 1995, brengt Kathy en mij, verliteratuurde wezens, op Moby Dick en op die beroemde eerste zin van de klassieker uit de wereldliteratuur. ‘Call me Ishmael’, zo begint de verteller, die als enige een scheepsramp heeft overleefd, aan het epos. Kathy vraagt zich af hoeveel verhalen over walvissen er zijn, fantaseert of zij er zelf misschien een aan toe zou kunnen voegen. De roman waar ze nu aan werkt is eveneens vervuld van zeelicht. ‘The sea... where each man, as in a mirror finds... himself’, zegt Ishmael.

Die nacht word ik prompt achtervolgd door een scherpgetande walvis. De jacht speelt zich af rondom het eiland, gewoon in de Maas. Ik moet mij uit de voeten zien te maken op een zwart glimmend zeildoek, een soort vlot. Ik ben verrassend wendbaar, dans op het water, als de jongens op skateboards die zich op het Grote Marktplein gracieus tussen mensen en andere obstakels door slingeren. Het vergt uiterste concentratie om de afstand tussen mij en het dier te vergroten. Hij is het die de strijd opgeeft. Als ik wakker word, voel ik zowel opluchting als teleurstelling. Ik ben op wonderbaarlijke wijze ontsnapt. Noem mij maar Ishmael. Of Jona, de koppige kleine profeet die vlucht voor de opdracht van God en wordt opgeslokt door een walvis. Drie dagen en drie nachten brengt Jona door in de ingewanden van de vis. ‘De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden’, heet het in de Statenvertaling. In zijn nood roept hij de Eeuwige aan, die als schepper natuurlijk gevoelig is voor de poëtisch verwoorde smeekbede, en de walvis beveelt Jona uit te spuwen. Jona neemt dan alsnog zijn taak op zich, maar het duurt niet lang of hij keert zich opnieuw tegen God, woedend op diens barmhartigheid, die het volk in zijn ogen niet verdiende. Het troost mij dat de Eeuwige met deze weerbarstige in gesprek blijft.

Meer zien en horen

Kort na mijn ontmoeting met de walvis beleef ik opnieuw een nachtelijk avontuur, meer een intense ervaring dan een droom. Ik ben bevroren in de tijd, als een dier gevangen in barnsteen. Tegelijk is er een tweede bewustzijn. Ik ben een ander geworden, iemand met wie ik samenval. Te zijn én niet te zijn. Ik besta uit een gespleten bewustzijn, als een linker- en een rechterhersenhelft met elkaar verbonden door een balk. Een droom die zich enige dagen later in een variant aandient. Ook droom ik over het hiernamaals, een andere dimensie die uit kleursluiers bestaat. Bij het ontwaken probeer ik de wonderlijke beelden vast te houden, ze verdwijnen van het netvlies, langzaam als diepzeevissen met lijven als wapperende, gewichtsloze mantels.

‘Tijdens rouw mis je een laag van je huid, de wereld komt heel direct binnen’, zegt schrijver Amy Bloom in een NRC-interview over haar boek In Love over de euthanasie van haar man. Het helpt haar om naar kleine dingen te kijken, zoals het zonlicht op water of een bloeiende linde.

Ik loop steeds hetzelfde rondje langs de kades, als een gekooid dier, soms als een halfdode die in het verleden leeft, dan weer hongerig naar indrukken, de zintuigen op scherp. In de geveltuintjes langs de herenhuizen bloeien witte en gele wilde rozen, een paarse seringenstruik, ik steek mijn neus erin om hun geuren op te snuiven. Ik zie een hele dikke witte boxerachtige hond voor een raam met een caramelkleurige vlek op zijn neus. Hij zit naast een vogelkooi met een levende maar lusteloze papegaai erin. Hij kijkt naar buiten met een intens verlangende blik, als de verlamde Peerke. Een hond voor wie maar één ding telt: de terugkeer van zijn baas. Ik blijf staan, maar het dier heeft nauwelijks oog voor mij. Ik zie dat hij zucht. Ik zucht ook.

Ik zie, hoor meer. Ik loop door de wijken, verken straten en buurten waar ik nooit eerder doorheen ben gelopen. Ik strijk neer op bankjes in verwaarloosde stukjes groen, een pleintje met een zandbak en een klimrek, naast groepjes gesluierde vrouwen die opgewonden met elkaar spreken, naast te zware, witte mannen die zwijgend blikjes bier achteroverslaan. Ik lijk onzichtbaar voor hen te zijn, maar sta in aanzien bij kinderen en honden. Een jongetje met een rode pet, achterstevoren gedragen, doet rondjes op zijn step en zwaait steeds als hij mij voorbijgaat, bij elk rondje uitbundiger. Kleine uitslover. Een meisje met mollige armen vol half uitgewiste plakplaatjes vertrouwt me toe dat ze ‘honigs van bijen’ zo lekker vindt. Ze hurkt naast het struikgewas, spreidt haar armen en roept: ‘Kom maar lieve dieren, ik hou van jullie allemaal.’ Een hond van een onbestemd ras komt kwispelstaartend op me af. Ik voel me gevleid. Andere stadsdieren voelen zich ook aangetrokken tot dit soort plekken met veel zwerfafval. Er staan her en der lokdozen voor ratten. Twee zilvermeeuwen krijsen en vechten op leven en dood om een stuk kip. De overwinnaar slikt de brok wit vlees gulzig door en valt vervolgens opnieuw zijn concurrent aan. Hij houdt hem minutenlang tegen de grond gedrukt, een snavel als een mes in zijn nek geprikt. Hij koelt zijn woede. Op het voetpad staat met grote letters een tekst gekalkt: BITCH I’M GONNA FUCKING STOP YOU. Er staat een naam met een hashtag bij.

Een ouder echtpaar passeert. De vrouw nog jeugdig, kunstmatig blond, de man heeft zijn arm door de hare gestoken. ‘Alles gaat hier dood’, zegt hij, hij trekt zich los, zwaait beide armen in het luchtledige en herhaalt zijn uitspraak. Een boos kind. De vrouw kijkt naar de grond, ze lijkt pijnlijk getroffen.

Bevrijd

Ik lees Vivian Gornick, Een vrouw apart en de stad, een memoir. Gornick is geen vrouw in rouw, maar ze is een ‘odd woman’, een ongebonden vrouw die door New York flaneert, met een sterke voorkeur voor de onglamoureuze East Side. Ze doet verslag van haar ontmoetingen met portiers, buren en bedelaars, noteert met een heel precies pennetje gespreksflarden die ze opvangt. Op straat dringt het verbazingwekkende van het menselijk bestaan tot haar door, ervaart ze ‘de kleuren van de dag’, voelt ze dat ze in het heden leeft. Het gaat haar niet om de stenen, maar om de stemmen van de stad. Ik herken er mijn huidige eigen bestaan in Manhattan aan de Maas wel in, zij het in een miniatuurversie.

Ik neem de tram naar Lombardijen om een pakje op te halen, stap onderweg uit. Ik wil een man in een oranje werkpak aanspreken om hem de weg te vragen. Hij draait zich om en ik kijk in een vriendelijk vollemaansgezicht. Het staat vol getatoeëerde woorden, namen, raadselachtige symbolen. Ik hoor zijn uitleg niet, gefascineerd door dit vertoon van horror vacui. ‘Ik moet even uw gezicht lezen’, zeg ik, maar ik weet niet waar te beginnen en kom niet veel verder dan het vette Halleluja in krullerige sierletters op zijn voorhoofd. Ik dool door de buurt en vergaap me aan etalages van textielwinkels met Indiase sari’s, Afrikaanse stoffen met motieven van schelpen, kippen, flessenopeners, en meisjesjurken van wolken roze tule. Het ruikt er naar curry en vis. In woonwinkels staan levensgrote keramieken tijgers uitgevoerd in oogverblindend goud en zilver.

Bep van Muilekom© Caro Linares

Er zijn dagen dat ik afgetobd ben, zoals de stokoude hond van een Turkse buurman die de ene poot niet meer voor de andere wil zetten. ‘Hij is moe’, zeg ik, als ik het stel op straat tegenkom. ‘Altijd moe’, verzucht de buurman. Er huist een sterk verlangen in mij om te verdwijnen, in een worm- of zinkgat. Ik zit in de buik van de vis, in het hart van de zee. Ik word midden in de nacht wakker van mijn eigen stem die om Leen roept. ‘I call out, I call out, right across the sea, but the echo comes back empty’, zingt Cave. Het verdriet breekt zich steeds baan, golven die over mij heen slaan. Ik kom ook weer boven, alsof het lichaam een veiligheidsschakelaar heeft die kortsluiting of overbelasting van het netwerk voorkomt. Dan volgen er vlakke, emotieloze dagen waarop ik me kan laten drijven. Ook moet ik mezelf bekennen dat ik uitrust van de tropenjaren, dat ik me soms, even, bevrijd, vrij voel.

Verbeelding

Doorgaans leef ik als een soldaat, gedisciplineerd. Ik houd het huis in stand. Ik aai dieren, knipoog naar kinderen, voer in de Action in gebarentaal een geanimeerd gesprek met een oudere moslima over de kwaliteit van een pan, waar ik helemaal geen verstand van heb, luister aandachtig naar de buurvrouw met borstkanker, kook, lees, schrijf, koop een nieuw paar oorbellen, schaf een oerdegelijke strijkplank aan die maar net in mijn werkkast past en een supersonisch stoom- strijkijzer dat me angst aanjaagt. Ik voel de ogen van vrienden op mij gericht. Wat is ze sterk. Ze is veel te alleen. Ze leest te zware boeken.

Ik ga in mijn eentje naar de bioscoop, naar films over rouw en verlies. Ik voel me geborgen in de beslotenheid van de donkere ruimte met veel rood fluweel, deel van een kudde. Drive my car van de Japanse filmmaker Hamaguchi maakt indruk. De hoofdpersoon is een bekende toneelregisseur die treurt om zijn overleden vrouw. Hij krijgt een opdracht in Hiroshima om ‘Oom Wanja’ van Tsjechov te regisseren. Een jonge vrouw, eveneens in rouw, chauffeert hem. De film speelt zich voor een groot deel af in de intimiteit van een klassieke rode Saab. Onderweg wordt het bandje afgespeeld waarop de overleden vrouw de tekst van Tsjechov heeft ingesproken. Ik zit op de achterbank en rijd mee, de beelden van de voorbijglijdende omgeving hypnotiseren. Toneeltekst, de repetitie voor het stuk en werkelijkheid raken met elkaar vervlochten. Alles rijmt en echoot. Veel gebeurt in de stilte en het zwijgen, het wit tussen de regels. Personages komen via een omweg, als in slow motion, in hun binnenruimte tot de ander, postuum.

Ik wil weten hoe anderen rouwen, hoe zij zich verhouden tot hun geliefden, tot hun leven — maar ik vind weinig van mijn gading in realistische films over rouw of euthanasie, noch in de boeken van rouwspecialisten. Ik moet het hebben van de verbeelding die ruimte laat voor de mijne. Thuis trek ik de DVD Heart of a dog van Laurie Anderson uit de kast, het filmische rouwgedicht over de dood van haar terriër Lolabella, waarin ook het verlies weerklinkt van haar kameraad en man Lou Reed, van een bevriende beeldhouwer en van haar moeder met wie zij een ambivalente verhouding had. Een betoverend associatief filmessay dat bestaat uit animaties, muziek, fragmenten uit home video’s en nieuwsbeelden, gelardeerd met citaten, van Wittgenstein tot het Tibetaanse Dodenboek. Een meditatie, een droom. ‘What are days for? To wake us up. To put between the endless nights. What are nights for? To fall through time, into another world.’ Een film over de liefde, het leven. […] Ook lees ik heel graag handleidingen en poetsinstructies op het web of de gebruiksaanwijzing van de wasmachine. Formules, recepten, de logica van als-dan, oorzaak-gevolg stellen gerust. De verbeelding moet worden beteugeld. Ik schep orde in kasten en laden door kratjes en ladeverdelers aan te schaffen. Even helpt het.

Inspiratiemiddag:

Op zondagmiddag 26 april a.s. organiseert VOLZIN in de ceremonieruimte van Koningsakker, de natuurbegraafplaats van de nabijgelegen trappistinnenabdij in Arnhem/Oosterbeek, een inspiratiemiddag. Het thema voor deze middag is: ‘De moed tot solidariteit’: over hoe je te verhouden tot ziekte, lijden en dood (van naasten). Aanmelden kan via deze link.

Boekinformatie:

Bep van Muilekom. De pijn zingen, hoe ons pad steeds lichter werd en alles begon te verdwijnen. Uitgeverij VOLZIN, prijs: €20,00. Bestelen kan via deze link.


Geef een reactie